ECLI:NL:RVS:2004:AO5259
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- K. Brink
- Rechtspraak.nl
Weigering vergunning grondwateronttrekking voor beregening landbouwgronden
Verweerder, het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, heeft bij besluit van 13 augustus 2003 de vergunning geweigerd voor het onttrekken van grondwater met een capaciteit van 60 m3 per uur uit een pomp met een putdiepte van 21 meter beneden maaiveld, bestemd voor beregening van landbouwgronden op een locatie in de gemeente Boxmeer.
Appellante stelde dat de grondwateronttrekking feitelijk al jaren plaatsvond uit een reeds voor 1991 bestaande put en dat zij niet op de hoogte was van het provinciale beleid, waardoor sprake zou zijn van een bijzonder geval dat afwijking van het beleid rechtvaardigt. Verweerder stelde dat het provinciale beleid gericht is op het voorkomen van toename van grondwateronttrekkingen en dat de aanvraag als een nieuwe inrichting moet worden beschouwd omdat de onttrekking nooit eerder was gemeld of vergund.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het standstill-beleid, gericht op het beëindigen van beregening en het voorkomen van uitbreiding, niet onredelijk is en voldoende kenbaar. De feitelijke onttrekking zonder vergunning geeft geen recht op afwijking. Appellante kon redelijkerwijs op de hoogte zijn van het beleid gezien de publiciteit en eerdere vergunningverlening in 1991.
Het beroep is daarom ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de vergunning voor grondwateronttrekking is ongegrond verklaard.