ECLI:NL:RVS:2004:AO5746

Raad van State

Datum uitspraak
17 maart 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200305177/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13.4 Wet milieubeheerArt. 3:19 Algemene wet bestuursrechtArt. 6:22 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging revisievergunning veehouderij wegens onvoldoende kennisgeving aan belanghebbenden

Bij besluit van 16 juni 2003 verleende en weigerde het college van burgemeester en wethouders van Midden-Drenthe gedeeltelijk een revisievergunning aan een vergunninghouder voor een veehouderij op een perceel te Westerbork. Dit besluit werd ter inzage gelegd en daarop stelden vier appellanten beroep in bij de Raad van State.

De appellanten voerden aan dat niet alle direct belanghebbenden in de omgeving van de inrichting een kennisgeving hadden ontvangen, zoals vereist op grond van artikel 13.4 van de Wet milieubeheer. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat hoewel sommige gebruikers van nabijgelegen woningen een kennisgeving ontvingen, andere gebruikers in de directe omgeving niet waren geïnformeerd. Hierdoor was het beoogde doel van de kennisgeving niet bereikt.

De Afdeling oordeelde dat het besluit in strijd was met het vormvoorschrift van artikel 13.4 Wet milieubeheer en dat deze schending niet kon worden gepasseerd omdat niet kon worden uitgesloten dat belanghebbenden hierdoor werden belemmerd in hun mogelijkheden om bedenkingen kenbaar te maken en beroep in te stellen.

De beroepen werden gegrond verklaard en het besluit vernietigd. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan de appellanten.

Uitkomst: Het besluit tot gedeeltelijke verlening en weigering van de revisievergunning is vernietigd wegens onvoldoende kennisgeving aan belanghebbenden.

Uitspraak

200305177/1.
Datum uitspraak: 17 maart 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],
2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],
3. [appellante sub 3], wonend te [woonplaats],
4. [appellante sub 4], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Midden-Drenthe,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 16 juni 2003, kenmerk Bmz 27-2002/5016, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet gedeeltelijk verleend en gedeeltelijk geweigerd voor een veehouderij op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Westerbork, sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 25 juni 2003 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 tot en met sub 4 bij brieven van 1 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 5 augustus 2003, beroep ingesteld.
Bij brief van 29 augustus 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 9 december 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 februari 2004, waar appellanten sub 1 tot en met sub 4, vertegenwoordigd door mr. P.C.H. van Schooten, advocaat te Assen, en verweerder, vertegenwoordigd door S. Bonnema en mr. D. Reitsema, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.
Voorts is als partij verschenen vergunninghouder.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 13.4, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, voorzover hier van belang, geschiedt, indien de aanvraag om een vergunning betrekking heeft op een inrichting, de terinzagelegging, bedoeld in artikel 3:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, in ieder geval op het gemeentehuis van de gemeente waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak is of zal zijn gelegen, en wordt van het ontwerp gelijktijdig mededeling gedaan door niet op naam gestelde kennisgeving aan de gebruikers van gebouwde eigendommen die in de directe omgeving van de inrichting liggen, voorzover zodanige kennisgeving kan dienen om het beoogde doel te bereiken.
2.2. Appellanten sub 1 tot en met sub 3 hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte niet alle direct belanghebbenden in de omgeving van de inrichting heeft aangeschreven.
De Afdeling begrijpt dit bezwaar aldus dat appellanten sub 1 tot en met sub 3 van mening zijn dat verweerder in strijd met artikel 13.4, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer niet aan alle gebruikers van gebouwde eigendommen in de directe omgeving van de inrichting een kennisgeving van het ontwerp van het besluit heeft gestuurd.
2.3. De Afdeling stelt op grond van de stukken vast dat verweerder naar de gebruikers van gebouwde eigendommen aan de [diverse locaties] te [plaats] – dit zijn woningen die grenzen aan het perceel [locatie] waarop de inrichting is gelegen – een kennisgeving als bedoeld in artikel 13.4, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer heeft gestuurd. Verweerder heeft echter andere gebruikers van gebouwde eigendommen in de directe omgeving van de inrichting geen kennisgeving, welke had kunnen dienen om het beoogde doel te bereiken, gestuurd. Dit betekent dat het bestreden besluit zich niet verdraagt met artikel 13.4, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer. De Afdeling ziet geen aanleiding de schending van dit vormvoorschrift te passeren met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, omdat niet valt uit te sluiten dat gebruikers van gebouwde eigendommen in de directe omgeving van de inrichting zijn belemmerd in hun mogelijkheden om hun bedenkingen kenbaar te maken en beroep in te stellen tegen het bestreden besluit.
2.4. De beroepen zijn gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De beroepen behoeven geen verdere bespreking.
2.5. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Nu ter zitting rechtsbijstand is verleend door één en dezelfde persoon en omdat de beroepen van appellanten sub 1 tot en met sub 3 grotendeels overeenkomen, ziet de Afdeling aanleiding wat de kosten van deze door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand betreft uit te gaan van één beroep. Het bedrag dat voor deze kosten moet worden vergoed, wordt verdeeld over genoemde appellanten.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart de beroepen gegrond;
II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Midden-Drenthe van 16 juni 2003, kenmerk Bmz 27-2002/5016;
III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Midden-Drenthe in de door appellanten sub 1 tot en met sub 3 in verband met de behandeling van de beroepen gemaakte proceskosten tot een bedrag van
€ 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en in de door appellante sub 4 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; de bedragen dienen door de gemeente Midden-Drenthe te worden betaald aan appellanten sub 1 tot en met sub 3 respectievelijk appellante sub 4;
IV. gelast dat de gemeente Midden-Drenthe aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 116,00 voor appellanten sub 1, € 116,00 voor appellant sub 2, € 116,00 voor appellante sub 3 en € 116,00 voor appellante sub 4) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.A.M. van Angeren, Voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Angeren w.g. Van Hardeveld
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2004
312-399.