ECLI:NL:RVS:2004:AO5762

Raad van State

Datum uitspraak
17 maart 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200306732/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • W. van den Brink
  • S. Zwemstra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Wet veiligheidsonderzoekenArt. 225 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering verklaring van geen bezwaar wegens valsheid in geschriften

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft op 1 juni 2001 aan appellant een verklaring van geen bezwaar geweigerd op grond van artikel 8, tweede lid, van de Wet veiligheidsonderzoeken. Appellant was veroordeeld voor het opzettelijk gebruik van een vervalst geschrift als echt en onvervalst, een misdrijf dat relevant is voor de beoordeling van de verklaring van geen bezwaar.

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit, dat door de Minister ongegrond werd verklaard. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant eveneens ongegrond. Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State.

De Raad van State overwoog dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de Minister in redelijkheid tot weigering van de verklaring van geen bezwaar heeft kunnen komen, mede gelet op de beleidsregels die valsheid in geschriften als zwaarwegend criterium aanmerken. Het verweer van appellant dat zijn veroordeling slechts voorwaardelijk was, leidde niet tot een ander oordeel.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de verklaring van geen bezwaar aan appellant vanwege zijn veroordeling voor valsheid in geschriften.

Uitspraak

200306732/1.
Datum uitspraak: 17 maart 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Amsterdam,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 augustus 2003 in het geding tussen:
appellant
en
de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
1. Procesverloop
Bij besluit van 1 juni 2001 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de Minister) aan appellant een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wet veiligheidsonderzoeken, geweigerd.
Bij besluit van 12 februari 2002 heeft de Minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 27 augustus 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 oktober 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 7 november 2003. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 8 december 2003 heeft de Minister van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 maart 2004, waar appellant in persoon, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. J.L.M. Neijndorff, ambtenaar bij het departement, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Vaststaat dat appellant is veroordeeld wegens het opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst. Nu uit artikel 1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Beleidsregel vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken op de burgerluchthavens volgt dat bij de beoordeling of aan appellant een verklaring van geen bezwaar kan worden afgegeven in het bijzonder moet worden gelet op gegevens betreffende valsheid in geschriften, is de rechtbank op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat niet kan worden staande gehouden dat de Minister bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid tot weigering van de gevraagde verklaring heeft kunnen komen. Het betoog van appellant dat hij voor voornoemd misdrijf slechts voorwaardelijk is veroordeeld, maakt dit niet anders. Hetgeen appellant in zijn hoger-beroepschrift overigens heeft aangevoerd, geeft ook geen aanleiding voor een ander standpunt.
2.2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.
w.g. Van den Brink w.g. Zwemstra
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2004
91-426.