AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Voorlopige voorziening tegen niet tijdig nemen van bestuursbesluit door college Gelderland
Verzoeker had bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een besluit door het college van gedeputeerde staten van Gelderland. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State had eerder het niet tijdig nemen van dat besluit vernietigd en het college opgedragen alsnog binnen vier weken te beslissen.
Ondanks deze uitspraak had het college niet binnen de gestelde termijn een besluit genomen. Verzoeker diende daarom een verzoek om voorlopige voorziening in bij de Raad van State. Tijdens de zitting werd bevestigd dat het college in strijd met de Algemene wet bestuursrecht had gehandeld door niet tijdig te beslissen.
De Voorzitter besloot het niet tijdig nemen van het besluit te schorsen en het college op te dragen binnen twee weken alsnog een besluit te nemen. Tevens werd een dwangsom van € 500 per week opgelegd, met een maximum van € 2.500, voor elke week dat het besluit uitblijft. Daarnaast werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van verzoeker.
Uitkomst: Het niet tijdig nemen van het bestuursbesluit is geschorst en het college van gedeputeerde staten van Gelderland is opgedragen binnen twee weken alsnog te beslissen onder dreiging van een dwangsom.
Uitspraak
200400735/2.
Datum uitspraak: 11 maart 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend te [woonplaats] ([land]),
en
het college van gedeputeerde staten van Gelderland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij uitspraak van 17 december 2003, nummer 200307715/3, verzonden 18 december 2003, heeft de Afdeling het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van verzoeker van 19 augustus 2003 vernietigd en verweerder opgedragen binnen vier weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan alsnog een besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.
Tegen het uitblijven van een besluit heeft verzoeker bij brief van 23 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 27 januari 2004, beroep ingesteld.
Bij brief van 23 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 27 januari 2004, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 februari 2004, waar verzoeker, vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door J.T.L.M. Gerritsen en ing. M. Gjaltema, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.
Voorts is daar gehoord als partij [naam partij], bijgestaan door ing. R.B.M. Aagten, gemachtigde.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Ter zitting is met partijen uitgebreid over de achtergronden van de zaak gesproken. Vergunninghouder heeft daarbij onder de aandacht gebracht dat zijn bedrijf door de vele gevoerde procedures in grote onzekerheid verkeert. Verzoeker heeft daarop de redenen voor zijn aanvankelijke verzoek om handhaving van 16 juli 2003 uiteengezet.
2.3. Thans ligt echter voor het verzoek dat is gericht tegen het niet tijdig beslissen overeenkomstig de uitspraak van de Afdeling van 17 december 2003, nummer 200307715/3.
Ter zitting is besproken dat verweerder er al voor het verzoek om handhaving van 16 juli 2003 van verzoeker van op de hoogte was dat dit zou worden ingediend. Het bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing op dit verzoek dateert al van 19 augustus 2003.
2.4. Vaststaat dat verweerder geen gevolg heeft gegeven aan de voornoemde uitspraak.
2.5. De Voorzitter stelt vast dat verweerder gehouden was te beslissen binnen de in genoemde uitspraak gestelde termijn. Nu hij dit heeft nagelaten, heeft hij in strijd met de Algemene wet bestuursrecht gehandeld.
2.6. Daarom dient het verzoek van verzoeker te worden toegewezen, in die zin dat het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit dient te worden geschorst. De Voorzitter ziet daarbij aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:72, zevende lid, in samenhang met artikel 8:84, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2.7. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het met een besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
II. draagt het college van gedeputeerde staten van Gelderland op om binnen twee weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan alsnog een besluit te nemen en dit op de voorgeschreven wijze bekend te maken;
III. treft de voorlopige voorziening dat verweerder zolang hij niet voldoet aan het onder punt II gestelde, aan verzoeker een dwangsom verbeurt van € 500,00 per week, met een maximum van € 2.500,00, voor iedere week dat het betreffende besluit niet is bekend gemaakt;
IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland in de door verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Gelderland te worden betaald aan verzoeker;
V. gelast dat de provincie Gelderland aan verzoeker het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.