De Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer heeft op 11 juli 2003 de erkenning van appellant voor het uitvoeren van periodieke keuringen van motorrijtuigen tot 3500 kg voor 12 weken ingetrokken. Appellant maakte bezwaar dat ongegrond werd verklaard en het beroep bij de voorzieningenrechter werd eveneens afgewezen. Appellant stelde daarop hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.
De Raad van State overwoog dat de strafpunten opgelegd bij een steekproef op 1 april 2003 in rechte vaststaan omdat appellant geen bezwaar of administratief beroep had ingesteld tegen de weigering van het keuringsbewijs. Het beleid van de algemeen directeur, neergelegd in de toezichtbeleidsbrief van 1 maart 2000, is redelijk en houdt rekening met de ernst van overtredingen en bedrijfseconomische belangen. Er waren geen bijzondere omstandigheden die een afwijking van dit beleid rechtvaardigen.
De Raad van State oordeelde dat nader onderzoek niet noodzakelijk is en dat onmiddellijke uitspraak in de hoofdzaak passend is. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de intrekking van de erkenning en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Uitspraak
200401082/1 en 200401082/2.
Datum uitspraak: 12 maart 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 vanPro die wet, op het hoger beroep van:
[appellant], te [plaats],
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 22 januari 2004 in het geding tussen:
appellant
en
de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer.
1. Procesverloop
Bij besluit van 11 juli 2003 heeft de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer (hierna: de algemeen directeur) de aan appellant verleende erkenning voor het uitvoeren van periodieke keuringen van motorrijtuigen tot en met 3500 kg op de keuringsplaats aan de [locatie] te [plaats] voor een periode van 12 weken ingetrokken.
Bij besluit van 27 oktober 2003 heeft de algemeen directeur het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 januari 2004, verzonden op 30 januari 2004, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij (ongedateerde) brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 februari 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Voorts heeft hij de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 maart 2004, waar appellant in persoon, en de algemeen directeur, vertegenwoordigd door mr. H. Pasman, ambtenaar van de Dienst Wegverkeer, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 juli 2002 in zaak no. 200105943/1, ter voorlichting van partijen aangehecht) staat tegen de weigering tot afgifte van het keuringsbewijs ingevolge artikel 90, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 bezwaar of administratief beroep bij de Dienst Wegverkeer open, waarbij de in de herkeuring geconstateerde gebreken, de kwalificatie daarvan en de toegekende strafpunten aan de orde kunnen worden gesteld. Nu hiervan geen gebruik is gemaakt, staan de gebreken, de kwalificatie daarvan en de toegekende strafpunten in beginsel in rechte vast. De door appellant aangevoerde feiten en omstandigheden zijn niet zodanig bijzonder, dat de algemeen directeur bij zijn besluit niet heeft mogen uitgaan van de appellant bij de steekproef op 1 april 2003 opgelegde strafpunten.
2.2. Terzake van de duur van de intrekking hanteert de algemeen directeur een beleid, dat is neergelegd in de toezichtbeleidsbrief van 1 maart 2000 (kenmerk VIZ 00/379). Dit beleid behelst een gedifferentieerd systeem van in ernst en gewicht oplopende overtredingen met daaraan gekoppelde, in zwaarte oplopende sancties, waarbij in algemene zin rekening is gehouden met de bedrijfseconomische belangen van erkenninghouders, alsmede met hun staat van dienst. Er is geen grond om dit beleid niet redelijk te achten.
Gesteld noch gebleken is dat de bij het bestreden besluit opgelegde sanctie niet strookt met het aldus gevoerde beleid.
Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden aan de zijde van appellant die de algemeen directeur noopten in afwijking van zijn beleid te beslissen. Gelet op het voorgaande bestaat geen grond om de opgelegde maatregel onevenredig zwaar te achten in verhouding tot de ernst van de geconstateerde overtreding.
2.3. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en ook overigens bestaat geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Gelet hierop, bestaat voor het treffen van een voorziening geen aanleiding, zodat het verzoek daartoe moet worden afgewezen.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.Z.C. Koutstaal, ambtenaar van Staat.