ECLI:NL:RVS:2004:AO5806
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- W. van den Brink
- I. Sluiter
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhaving bestemmingsplan gebruik perceel als grasland/weiland niet toegestaan
Het college van burgemeester en wethouders van Soest bepaalde dat appellant een dwangsom verbeurt indien hij het gebruik van een perceel ten behoeve van grasland/weiland niet beëindigt en de erfafscheiding niet verwijdert. Appellant gebruikte het perceel als grasland en weidde er paarden, wat in strijd is met het bestemmingsplan dat alleen akkerbouw toestaat.
De rechtbank Utrecht oordeelde dat appellant geen historisch recht op het huidige gebruik heeft, omdat het perceel tot 2000 voor akkerbouw werd gebruikt en het bestemmingsplan op 6 februari 1992 onherroepelijk werd. De Raad van State bevestigt dit oordeel en stelt dat het college terecht handhavend heeft opgetreden.
Er is geen sprake van een bijzonder geval dat handhaving zou moeten voorkomen, omdat er geen concreet zicht op legalisatie bestaat en het college geen vrijstelling heeft verleend. Ook de aangevoerde toezeggingen en het gelijkheidsbeginsel bieden geen grond voor afwijking.
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wijst het hoger beroep af en ziet geen reden voor het treffen van een voorlopige voorziening. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.