ECLI:NL:RVS:2004:AO6136

Raad van State

Datum uitspraak
18 maart 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200400972/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • S.P.M. Zwinkels
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:32 AwbArt. 8:81 AwbWet milieubeheer
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing last onder dwangsom wegens visueel waarneembare stofemissie bij ruwijzergieterij

Verzoekster ontving op 5 januari 2004 een last onder dwangsom van de provincie Noord-Holland wegens overtreding van voorschrift 2.4 van een milieupvergunning uit 2000, dat visueel waarneembare stofemissies tijdens het gieten van ruwijzer verbiedt. De dwangsom bedroeg € 3.200 per overtreding met een maximum van € 32.000, en een begunstigingstermijn van vier weken.

Verzoekster maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening. Tijdens de zitting op 2 maart 2004 erkende de Voorzitter dat de overtreding had plaatsgevonden en dat de last onder dwangsom terecht was opgelegd. Verzoekster stelde dat de vergunning onvoldoende was om stofemissies te voorkomen en dat alleen verdergaande maatregelen effectief zouden zijn.

Naar aanleiding van de zitting gaf verweerder aan de begunstigingstermijn met vier maanden te willen verlengen om aanvullende maatregelen te treffen. De Voorzitter oordeelde dat het bestreden besluit daardoor niet zorgvuldig was genomen en schorste het besluit voor zes weken na de beslissing op bezwaar, met vergoeding van het griffierecht aan verzoekster.

Uitkomst: Het besluit tot oplegging van een last onder dwangsom wordt geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar.

Uitspraak

200400972/1.
Datum uitspraak: 18 maart 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekster], gevestigd te [plaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 30 december 2003, kenmerk 2003-52042, verzonden op 5 januari 2004, heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom, als bedoeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De last strekt tot beëindiging van het handelen in strijd met het aan de vergunning van 7 december 2000 verbonden voorschrift 2.4. De dwangsom is vastgesteld op € 3.200,00 per geconstateerde overtreding. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 32.000,00. Aan het besluit is een begunstigingstermijn verbonden van vier weken na de datum van verzending van het besluit.
Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.
Bij brief van 30 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 2 maart 2004, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. L.J. Smale, advocaat te Amsterdam, en J.J. van Brouwershaven, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. S.M.C. Rooijers en M. Zwitser, beiden ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.
Buiten bezwaren van partijen zijn nadere stukken in het geding gebracht.
2. Overwegingen
2.1. Bij besluit van 7 december 2000 heeft verweerder aan verzoekster een vergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van onderhavige inrichting. De verandering betreft het bouwen van een faciliteit ten behoeve van het gieten van ruwijzer.
Ingevolge het aan de vergunning verbonden voorschrift 2.4 mag tijdens het gieten geen visueel waarneembare stofemissie uit het rookafzuigingsgebouw treden. Het in een gietput uitstromende ruwijzer mag geen visueel waarneembare stofverspreiding buiten de ruwijzerput veroorzaken.
2.1.1. Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting stelt de Voorzitter vast – hetgeen overigens door verzoekster ter zitting niet is betwist - dat voorafgaand aan het bestreden besluit voorschrift 2.4 werd overtreden. Verweerder was derhalve bevoegd tot het opleggen van een last onder dwangsom.
2.2. Verzoekster voert aan dat verweerder niet in redelijkheid de last onder dwangsom heeft kunnen opleggen. Zij betoogt onder meer dat de vergunning niet toereikend is om visueel waarneembare stofemissies te voorkomen. Zij stelt dat slechts met verdergaande maatregelen de stofemissies kunnen worden tegengegaan. Ter zitting heeft verzoekster in dit kader een aantal mogelijk te treffen maatregelen weergegeven.
2.2.1. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting heeft verweerder bij brief van 8 maart 2004 meegedeeld dat de begunstigingstermijn in de beslissing op het bezwaar met vier maanden zal worden verlengd, zodat verzoekster gedurende deze periode nader omschreven maatregelen kan treffen om stofemissies te beperken.
De Voorzitter stelt vast dat verweerder naar aanleiding van het verhandelde ter zitting kennelijk een ander standpunt heeft ingenomen omtrent de begunstigingstermijn en de te treffen maatregelen om aan de last te voldoen. Daargelaten of verweerder in de beslissing op het bezwaar een begunstigingstermijn van vier maanden aan de last kan verbinden – dat kan zo nodig in een bodemprocedure of in een nieuw verzoek om voorlopige voorziening worden beoordeeld – is de Voorzitter van oordeel dat het thans bestreden besluit, gelet op het gewijzigde standpunt van verweerder, niet zorgvuldig is genomen. De Voorzitter ziet dan ook aanleiding voor toewijzing van het verzoek.
2.3. De Voorzitter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe.
2.4. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 30 december 2003, kenmerk 2003-52042, tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist;
II. gelast dat de provincie Noord-Holland aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.P.M. Zwinkels, ambtenaar van Staat.
w.g. Hirsch Ballin w.g. Zwinkels
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2004
414.