ECLI:NL:RVS:2004:AO6530
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- M. Oosting
- J.G.C. Wiebenga
- B.J. van Ettekoven
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen wijziging voorschriften fosfaatlozing in milieuvergunning
Bij besluit van 3 april 2003 heeft de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat de voorschriften I-2 en I-6 van de milieuvergunning van Shell Nederland Raffinaderij B.V. gewijzigd, met als doel de fosfaatlozing verder te beperken volgens de stand der techniek. Shell stelde dat de norm voor de jaargemiddelde dagvracht van fosfaat (P-totaal) niet haalbaar en niet kosteneffectief was, mede door de invloed van de ECH-fabriek die calciumchloridehoudend afvalwater loost.
De Raad van State oordeelde dat fosfaatprecipitatie voldoet aan de stand der techniek en dat er voldoende aannemelijk is dat met aanvullende maatregelen de norm van maximaal 120 kg/dag vanaf 1 juli 2004 kan worden gehaald. Ook achtte de Afdeling de kosten van fosfaatverwijdering redelijk en de termijn passend, mede gezien de bedrijfstak en de beperkte perioden dat de ECH-fabriek buiten bedrijf is.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak bevestigt de beoordelingsvrijheid van het bevoegd gezag bij het verbinden van voorschriften aan milieuvergunningen ter bescherming van oppervlaktewaterkwaliteit.
Uitkomst: Het beroep van Shell Nederland Raffinaderij B.V. tegen de wijziging van de milieuvergunning is ongegrond verklaard.