ECLI:NL:RVS:2004:AO6565

Raad van State

Datum uitspraak
31 maart 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200304976/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 WOBArt. 13.1 WmArt. 19.1 WmArt. 3:44 AwbArt. 7:4 Awb
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken belang bij inzage milieuvergunningen

Appellant verzocht het college van gedeputeerde staten van Gelderland om toezending van (ontwerp)milieuvergunningen en bijbehorende documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (WOB). Het college weigerde dit gedeeltelijk, waarna appellant bezwaar maakte dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank Arnhem vernietigde het besluit van het college voor de milieuvergunningen genoemd in artikel 19.1 van de Wet milieubeheer (Wm).

Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State. Tijdens de zitting bleek dat het hoger beroep alleen nog betrekking had op beschikkingen die inmiddels onherroepelijk waren geworden en onder het regime van artikel 19.1 Wm vielen. Dit artikel regelt dat het bestuursorgaan tegen vergoeding een exemplaar van de beschikkingen verstrekt en waar mogelijk de stukken die ter inzage lagen.

De Raad van State oordeelde dat appellant daardoor geen belang meer had bij het hoger beroep over de toezending van de gevraagde stukken op grond van de WOB. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van belang bij de gevraagde stukken.

Uitspraak

200304976/1.
Datum uitspraak: 31 maart 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Utrecht,
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 4 juli 2003 in het geding tussen:
appellant
en
het college van gedeputeerde staten van Gelderland.
1. Procesverloop
Bij besluit van 12 maart 2001 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) naar aanleiding van een verzoek van appellant – voorzover hier van belang - op grond van artikel 7 van Pro de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de WOB) toezending van de (ontwerp)milieuvergunningen van voor medio december 2000, de bij de (ontwerp)milieuvergunningen behorende aanvragen en de gelijktijdige met voornoemde vergunningen gepubliceerde besluiten in het kader van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (gedeeltelijk) geweigerd.
Bij besluit van 24 juli 2001 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 4 juli 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar, voorzover het de verleende vergunningen welke worden genoemd in artikel 19.1 van de Wet milieubeheer (hierna: de Wm) betreft, vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 juli 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 5 augustus 2003. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 26 november 2003 heeft het college van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 februari 2004, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. M.E.T. van Oostveen, gemachtigde, werkzaam bij de Utrechtse Juristen Groep te Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door mr. D.F.C.M. Ariaens, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ter zitting is gebleken dat het hoger beroep alleen nog betrekking heeft op beschikkingen als bedoeld in artikel 13.1 van de Wm die inmiddels onherroepelijk zijn geworden. Deze beschikkingen vallen onder het regime van artikel 19.1 van de Wm. Op grond van deze bepaling verstrekt het bestuursorgaan tegen vergoeding van ten hoogste de kosten een exemplaar van de beschikkingen en voorzover mogelijk van de stukken die in verband met de totstandkoming daarvan overeenkomstig de Wm dan wel afdeling 3.5 of artikel 3:44 of Pro 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage dienden te worden gelegd. Dit leidt tot de conclusie dat appellant geen belang meer heeft bij de beantwoording van de vraag of het college de door appellant gevraagde stukken op grond van de WOB aan appellant had moeten toezenden. Het hoger beroep moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
2.2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.
w.g. Van den Brink w.g. Zwemstra
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2004
91-421.