ECLI:NL:RVS:2004:AO7116
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- S. Zwemstra
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring woningtoewijzing Katwijk
Appellante verzocht het college van burgemeester en wethouders van Katwijk om een urgentieverklaring op grond van artikel 16 van Pro de Huisvestingsverordening Katwijk 1998, welke door het college werd afgewezen. Na een ongegrond verklaard bezwaar en beroep bij de rechtbank, stelde appellante hoger beroep in bij de Raad van State.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de rechtbank ten onrechte het indicatieadvies van de GGD niet had bestreden en dat de hardheidsclausule van artikel 22 van Pro de verordening toegepast had moeten worden vanwege ernstige persoonlijke omstandigheden. Tevens stelde zij dat het beleid ten aanzien van jonge gezinnen onrechtvaardig was toegepast.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat appellante het indicatieadvies niet had bestreden, maar slechts een beroep deed op de hardheidsclausule. Het college had terecht het beleid voor jonge gezinnen toegepast, waarbij een onafgebroken verblijf van zes jaar in Katwijk vereist is. Appellante voldeed hier niet aan. Ook was niet gebleken van een bijzondere hardheid die een afwijking rechtvaardigde.
Daarmee was het bestreden besluit rechtmatig en werd het hoger beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de urgentieverklaring door het college van Katwijk bevestigd.