ECLI:NL:RVS:2004:AO7121

Raad van State

Datum uitspraak
7 april 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200304495/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 49 WROArt. 3:2 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank inzake planschadevergoeding bij onjuiste planvergelijking

Appellant, de raad van de gemeente Enschede, wees het verzoek van verzoeker om vergoeding van planschade af op grond van een planvergelijking waarbij de feitelijke situatie onder het nieuwe bestemmingsplan werd vergeleken met de maximale mogelijkheden onder het oude planologische regime. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze afwijzing, dat ongegrond werd verklaard door appellant. De rechtbank Almelo verklaarde het beroep van verzoeker gegrond en vernietigde het besluit op bezwaar.

In hoger beroep betwist appellant het oordeel van de rechtbank dat de planvergelijking onjuist was omdat deze de feitelijke situatie onder het nieuwe plan als maatstaf nam in plaats van de maximale planologische mogelijkheden. De Afdeling bestuursrechtspraak overweegt dat voor de beoordeling van planschade uitsluitend de maximale mogelijkheden onder beide bestemmingsplannen moeten worden vergeleken, ongeacht feitelijke realisaties.

De Afdeling concludeert dat appellant onvoldoende oog heeft gehad voor de maximale mogelijkheden onder het nieuwe bestemmingsplan en daardoor het besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid, in strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het hoger beroep is ongegrond en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van appellant ongegrond.

Uitspraak

200304495/1.
Datum uitspraak: 7 april 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de raad van de gemeente Enschede,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 27 mei 2003 in het geding tussen:
[verzoeker], wonend te Enschede
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 3 juli 2001 heeft appellant, onder verwijzing naar het advies van de schadebeoordelingscommissie Enschede (hierna: de commissie) van 21 maart 2001, het verzoek van [verzoeker] om de vergoeding van schade als bedoeld in artikel 49, eerste lid, van de wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), afgewezen.
Bij besluit van 9 september 2002 heeft appellant het daartegen door [verzoeker] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 27 mei 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen door [verzoeker] ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 juli 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 31 juli 2003. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 28 augustus 2003 heeft [verzoeker] van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 februari 2004, waar appellant, vertegenwoordigd door L.M. Kelly-van Oort, ambtenaar der gemeente, en [verzoeker] in persoon, bijgestaan door M.G.J. Beimer, gemachtigde, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. In hoger beroep wordt bestreden het oordeel van de rechtbank dat appellant bij de beoordeling van het verzoek van [verzoeker] om planschadevergoeding van een onjuiste planvergelijking is uitgegaan door hetgeen onder het oude planologische regime was toegestaan te vergelijken met de huidige feitelijke situatie.
2.1.1. Voor de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding dient op grond van artikel 49 van Pro de WRO te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dienen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregelen te worden vergeleken met het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van de betreffende planologische regimes maximaal kon/kan worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.
2.1.2. Appellant heeft zich in de beslissing op bezwaar op het standpunt gesteld dat, hoewel bij een planologische vergelijking rekening moet worden gehouden met de maximale bebouwingsmogelijkheden van de beide bestemmingsplannen, daarnaast ten aanzien van het nieuwe planologische regime de inmiddels gerealiseerde bebouwing van betekenis is. Daarvan uitgaand zijn aan de hand van een vijftal planologische aspecten de maximale bebouwingsmogelijkheden, die onder het oude bestemmingsplan waren toegestaan - en ten aanzien waarvan in dit geval overigens de vraag rijst of de vrijstellingsmogelijkheden niet zijn overschat - vergeleken met de op basis van het nieuwe bestemmingsplan feitelijk gerealiseerde situatie. Op grond van deze planvergelijking heeft appellant geconcludeerd dat het nieuwe bestemmingsplan niet leidt tot waardevermindering van de woning van [verzoeker].
2.1.3. Met de rechtbank moet worden geconcludeerd dat appellant aldus onvoldoende oog heeft gehad voor hetgeen onder het nieuwe bestemmingsplan maximaal kan worden gerealiseerd en gelet daarop bij de beoordeling van het verzoek van [verzoeker] om de vergoeding van planschade niet de juiste maatstaf heeft aangelegd. Dit betekent dat het in bezwaar gehandhaafde besluit in strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.
2.2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Schortinghuis
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 7 april 2004
66-408.