ECLI:NL:RVS:2004:AO7132
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- S. Zwemstra
- Rechtspraak.nl
Intrekking voorrangsverklaring en beëindiging bemiddeling woningtoewijzing
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam heeft op 28 mei 2002 aan appellant medegedeeld dat het recht op bemiddeling met voorrang voor een woning is komen te vervallen en de voorrangsverklaring is ingetrokken. Appellant maakte bezwaar tegen deze beslissing, dat door het college ongegrond werd verklaard. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant eveneens ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat de bemiddelingsovereenkomst civielrechtelijke regels kent en dat het college eerst ingebreke had moeten stellen, wat niet was gebeurd. Tevens betoogde hij dat de intrekking niet met terugwerkende kracht mogelijk is en dat de woningweigering onterecht was omdat een medische indicatie vereist zou zijn.
De Raad van State oordeelt dat de bemiddelingsovereenkomst geen civielrechtelijke overeenkomst is, maar een aanhangsel van de voorrangsverklaring met duidelijke verplichtingen. Het college heeft gehandeld binnen de regels van de Huisvestingsverordening Amsterdam 1999 en de uitvoeringsbesluiten die bepalen dat de voorrangsverklaring kan worden ingetrokken bij weigering van passende woningaanbiedingen. De intrekking is niet met terugwerkende kracht, maar na afloop van de drie maanden durende bemiddelingsperiode vastgesteld.
Verder is vastgesteld dat appellant daadwerkelijk in aanmerking kwam voor een passende woning die hij heeft geweigerd. Het betoog dat de woning onveilig zou zijn voor zijn dochter wordt niet gevolgd, mede omdat de voorrangsverklaring alleen op appellant zelf ziet. De Raad van State verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de intrekking van de voorrangsverklaring en beëindiging van de bemiddeling wegens weigering van een passende woning.