ECLI:NL:RVS:2004:AO7138
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- J.E.M. Polak
- W.D.M. van Diepenbeek
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking erkenning bedrijfsvoorraad wegens overtreding kentekenreglement
Appellante kreeg op 27 april 1999 een waarschuwing van de RDW wegens het niet naleven van verplichtingen uit haar erkenning bedrijfsvoorraad. Na een controle op 4 september 2001 constateerde de RDW dat appellante het kentekenbewijs deel I niet onder zich hield bij verkoop aan een ander erkend bedrijf, wat in strijd is met artikel 28 van Pro het Kentekenreglement.
De RDW trok daarop de erkenning bedrijfsvoorraad voor zes weken in, waarna appellante bezwaar maakte dat door de rechtbank Arnhem ongegrond werd verklaard. Appellante stelde dat zij niet tijdig was gehoord en dat het sanctiebeleid onredelijk was, maar de Raad van State oordeelde dat het bezwaar ontvankelijk was ondanks termijnoverschrijding en dat het gebrek aan voorafgaand horen in de bezwaarprocedure was hersteld.
De Raad van State bevestigde dat het sanctiebeleid van de RDW passend en niet onredelijk was en dat de waarschuwing van 1999 binnen drie jaar mocht worden meegewogen bij de sanctiebepaling. Ook werd geoordeeld dat geen schending van het recht op een eerlijk proces of het nemo-teneturbeginsel had plaatsgevonden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de intrekking van de erkenning bedrijfsvoorraad voor zes weken opgelegd door de RDW.