ECLI:NL:RVS:2004:AO7281

Raad van State

Datum uitspraak
8 april 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
20030251/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek
  • T.M.A. Claessens
  • J.G. Treffers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:51 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering budget- en accommodatiesubsidie door gemeente Son en Breugel

Het college van burgemeester en wethouders van Son en Breugel heeft op 13 september 2001 besloten de aan appellante verleende budget- en accommodatiesubsidie te weigeren met ingang van 1 januari 2002, vanwege veranderde omstandigheden en gewijzigde inzichten. Ter afbouw werd een eenmalige betaling van € 1.361,34 toegekend. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door de gemeenteraad en vervolgens door de rechtbank 's-Hertogenbosch ongegrond werd verklaard.

Appellante stelde in hoger beroep dat de subsidierelatie onterecht werd beëindigd, maar de Raad van State oordeelde dat de gemeente op goede gronden handelde. De subsidieverlening was aan voorwaarden verbonden die appellante niet tijdig had nageleefd. Er was geen toezegging dat de subsidie ondanks dat zou worden voortgezet. De termijn tussen het besluit en de ingang van de weigering werd als redelijk beoordeeld.

De Raad van State bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de beëindiging van de subsidie gerechtvaardigd was en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van de subsidie wordt bevestigd.

Uitspraak

200302531/1.
Datum uitspraak: 8 april 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de vereniging "Coöperatieve Vereniging Muzieklerarenkollektief Noord-Brabant U.A.", gevestigd te Son en Breugel,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 4 maart 2003 in het geding tussen:
appellante
en
de raad van de gemeente Son en Breugel.
1. Procesverloop
Bij besluit van 13 september 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Son en Breugel (hierna: het college) de aan appellante verleende budget- en accommodatiesubsidie op grond van veranderde omstandigheden en/of gewijzigde inzichten met ingang van 1 januari 2002 geweigerd en bij wijze van afbouwregeling eenmalig een bedrag ineens ad ƒ 3.000,00 (€ 1.361,34) ter beschikking gesteld.
Bij besluit van 19 december 2001, verzonden bij brief van 7 januari 2002, heeft de raad van de gemeente Son en Breugel (hierna: de gemeenteraad) het daartegen door appellante ingestelde administratief beroep, conform het advies van de Commissie voor bezwaar- en beroepschriften van 30 november 2001, ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 4 maart 2003, verzonden op 10 maart 2003, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 18 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 22 april 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 30 juni 2003 heeft de gemeenteraad van antwoord gediend.
Er zijn daarna nog stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 november 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door G. Romunde en J.W. Romunde-Jansen, respectievelijk secretaris en voorzitter van appellante, en de gemeenteraad, vertegenwoordigd door mr. M.T.C.A. Smets, advocaat te Eindhoven, en M.A.J.M. Schalkx, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Appellante ontkent en betwist in hoger beroep al hetgeen door de rechtbank is overwogen in de uitspraak van 4 maart 2003, zoals nader aangegeven in het (aangehechte) hoger beroepschrift.
2.2. De gemeenteraad heeft bij besluit van 1 juli 1999 voorwaarden gesteld aan subsidieverlening aan appellante, van welke voorwaarden appellante op de hoogte is gesteld, maar aan welke voorwaarden door haar niet tijdig is voldaan. In het gesprek van 15 maart 2001 met de burgemeester en vervolgens bij brief van het college van 10 juli 2001 is appellante op de hoogte gesteld van het voornemen de subsidierelatie daarom met ingang van 1 september 2001 - later gewijzigd in 1 januari 2002 - te verbreken. Niet is gebleken van enig besluit of enige toezegging dat, zelfs indien niet aan de gestelde voorwaarden zou zijn voldaan, toch weer voor vier jaar subsidie zou worden verleend.
Gelet hierop is het oordeel van de rechtbank dat de gemeenteraad zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval sprake is van veranderde omstandigheden en/of gewijzigde inzichten die beëindiging van de subsidierelatie met appellante met ingang van 1 januari 2002 rechtvaardigen juist en berust dit op goede gronden. Hetzelfde geldt voor het oordeel van de rechtbank dat de periode van ruim drie maanden tussen het besluit van 13 september 2001 en de ingang van de weigering subsidie te verlenen moet worden aangemerkt als een redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:51, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt grotendeels een herhaling van haar betoog bij de rechtbank en kan niet leiden tot een ander oordeel dan dat waartoe de rechtbank is gekomen.
2.3. Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. J.G. Treffers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Dallinga
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2004
18-420.