ECLI:NL:RVS:2004:AO7509

Raad van State

Datum uitspraak
7 april 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200402366/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • Th.G. Drupsteen
  • M.A.G. Stolker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbWet milieubeheerBesluit geluidhinder spoorwegen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening handhaving spoorwegemplacement Leiden

Verzoekers hebben bij besluit van 10 maart 2004 verzocht om handhavend op te treden tegen het spoorwegemplacement te Leiden vanwege het ontbreken van een milieuvergunning. Verweerder, het dagelijks bestuur van de milieudienst West-Holland, wees dit verzoek af. Verzoekers maakten bezwaar en vroegen vervolgens op 19 maart 2004 een voorlopige voorziening bij de Raad van State.

De Voorzitter behandelde het verzoek op 6 april 2004 waarbij partijen verschenen. Het geschil spitste zich toe op de vraag of de activiteiten op het emplacement uitsluitend onder het Besluit geluidhinder spoorwegen vallen of dat ook een milieuvergunning vereist is. De Voorzitter oordeelde dat dit punt niet geschikt is voor beslissing in deze voorlopige voorzieningsprocedure.

Gezien het lopende beroep van Railinfrabeheer B.V. tegen de weigering van de vergunning, dat op 27 april 2004 door een Meervoudige Kamer wordt behandeld, besloot de Voorzitter in afweging van belangen geen voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek werd afgewezen zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de afwijzing van handhaving op het spoorwegemplacement te Leiden wordt afgewezen.

Uitspraak

200402366/1.
Datum uitspraak: 7 april 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekers] te [plaats],
en
het dagelijks bestuur van de milieudienst West-Holland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 10 maart 2004, kenmerk 339/04/04, heeft verweerder het verzoek van verzoekers om handhavend op te treden met betrekking tot het spoorwegemplacement te Leiden, afgewezen.
Tegen dit besluit hebben verzoekers bezwaar gemaakt.
Bij brief van 19 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op die zelfde dag, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 6 april 2004, waar verzoekers in persoon zijn verschenen en verweerder is vertegenwoordigd door J.H.O. Noppen en ing. G.J. Distelbrink, ambtenaren van de Milieudienst West-Holland. Namens NS Railinfrabeheer B.V. is het woord gevoerd door mr. E. Broeren, advocaat te Breda en G.L. Smith, gemachtigde.
2. Overwegingen
2.1. Aan het handhavingsverzoek van verzoekers ligt ten grondslag dat het spoorwegemplacement te Leiden in werking is zonder daartoe op grond van de Wet milieubeheer vereiste vergunning. Verzoekers stellen overlast te ondervinden van de activiteiten van het emplacement.
2.2. Teneinde vast te kunnen stellen of verweerder bevoegd is tot handhaving van het bij of krachtens de Wet milieubeheer bepaalde, dient te worden beoordeeld of de activiteiten op het emplacement uitsluitend vallen onder het Besluit geluidhinder spoorwegen, zoals verweerder in het besluit stelt, dan wel of tevens activiteiten plaatsvinden waarvoor een vergunning is vereist krachtens de Wet milieubeheer, zoals verzoekers stellen.
2.3. Naar het oordeel van de Voorzitter leent dit punt van geschil zich naar zijn aard niet voor beslechting in deze procedure. De Voorzitter beperkt zich daarom tot een afweging van belangen. In dat kader wijst hij er op dat de vergunningplicht van dit spoorwegemplacement op 27 april 2004 wordt beoordeeld door een Meervoudige Kamer van de Afdeling in het kader van de behandeling van het beroep van Railinfrabeheer B.V. tegen de beslissing van verweerder om de voor dit emplacement gevraagde vergunning niet te verlenen. In afwachting van de uitspraak op dat beroep ziet de Voorzitter, in afweging van de betrokken belangen, geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
2.4. Gezien het vorenstaande dient het verzoek te worden afgewezen.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.
w.g. Drupsteen w.g. Stolker
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 7 april 2004
157.