ECLI:NL:RVS:2004:AO7941
Raad van State
- Hoger beroep
- P. van Dijk
- J.H.B. van der Meer
- J.A.M. van Angeren
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake bevoegdheid voorlopige voorziening College van beroep WHW
Appellant verzocht op 17 juli 2000 om algehele vrijstelling van de deblokkaderegeling. Diverse besluiten van de Examencommissie en het College van beroep, waaronder afwijzingen van verzoeken tot tentamenaflegging en voorlopige voorzieningen, leidden tot beroep bij de rechtbank Assen. De rechtbank verklaarde zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep tegen de beslissing van de voorzitter van het College van beroep over een voorlopige voorziening en verklaarde het beroep gegrond voor het uitblijven van een besluit op het verzoek van appellant.
In hoger beroep richtte appellant zich tegen deze onbevoegdverklaring. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat op grond van artikel 7.61, zevende lid, WHW, gelezen met artikel 8:81 Awb Pro, een belanghebbende kan kiezen tussen het verzoeken van een voorlopige voorziening bij de voorzitter van het College van beroep of bij de voorzieningenrechter van de rechtbank, maar dat tegen de beslissing van de voorzitter van het College van beroep op dat verzoek geen beroep bij de rechtbank openstaat.
De rechtbank heeft zich daarom terecht onbevoegd verklaard, al was de motivering onjuist. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.