ECLI:NL:RVS:2004:AO7972
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- T.M.A. Claessens
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake vergunningintrekkinggronden marktinstallatie Den Haag
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag verleende op 23 april 2002 aan appellante een vergunning voor de exploitatie van een marktinstallatie aan de Herman Costerstraat te Den Haag. Appellante maakte bezwaar tegen deze vergunning, waarop het college gedeeltelijk haar bezwaar gegrond verklaarde en enkele voorschriften wijzigde.
De rechtbank 's-Gravenhage verklaarde het door appellante ingestelde beroep tegen het besluit van het college ongegrond. Appellante stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State, gericht op het oordeel van de rechtbank over de toevoeging van de woorden 'in ieder geval' in artikel 11, eerste lid, van de vergunningvoorschriften.
De Raad van State overweegt dat appellante deze beroepsgrond niet tijdig in bezwaar heeft aangevoerd en dat deze grond losstaat van de onderdelen waartegen bezwaar was gemaakt. Hierdoor kon deze niet in beroep worden behandeld. De rechtbank heeft dit terecht geoordeeld, al had zij moeten erkennen dat inhoudelijke beoordeling niet aan de orde was. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.