ECLI:NL:RVS:2004:AO7972

Raad van State

Datum uitspraak
21 april 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200305732/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:69 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank inzake vergunningintrekkinggronden marktinstallatie Den Haag

Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag verleende op 23 april 2002 aan appellante een vergunning voor de exploitatie van een marktinstallatie aan de Herman Costerstraat te Den Haag. Appellante maakte bezwaar tegen deze vergunning, waarop het college gedeeltelijk haar bezwaar gegrond verklaarde en enkele voorschriften wijzigde.

De rechtbank 's-Gravenhage verklaarde het door appellante ingestelde beroep tegen het besluit van het college ongegrond. Appellante stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State, gericht op het oordeel van de rechtbank over de toevoeging van de woorden 'in ieder geval' in artikel 11, eerste lid, van de vergunningvoorschriften.

De Raad van State overweegt dat appellante deze beroepsgrond niet tijdig in bezwaar heeft aangevoerd en dat deze grond losstaat van de onderdelen waartegen bezwaar was gemaakt. Hierdoor kon deze niet in beroep worden behandeld. De rechtbank heeft dit terecht geoordeeld, al had zij moeten erkennen dat inhoudelijke beoordeling niet aan de orde was. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

200305732/1.
Datum uitspraak: 21 april 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te [plaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 17 juli 2003 in het geding tussen:
appellante
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.
1. Procesverloop
Bij besluit van 23 april 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) appellante voor de periode tot en met 30 april 2012 vergunning verleend voor de exploitatie van een marktinstallatie op het marktterrein aan de Herman Costerstraat te Den Haag.
Bij besluit van 15 oktober 2002 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, dat besluit gedeeltelijk herroepen, in de bij de vergunning behorende voorschriften enige wijzigingen aangebracht en het besluit voor het overige gehandhaafd.
Bij uitspraak van 17 juli 2003, verzonden op 22 juli 2003, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 augustus 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 30 september 2003 heeft het college van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 februari 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. J. Geelhoed, advocaat te Den Haag, in aanwezigheid van [gemachtigde] en A. de Vos, en het college, vertegenwoordigd door mr. N.E. Itjeshorst-Engel, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het hoger beroep is uitsluitend gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de toevoeging van de woorden ‘in ieder geval’, voorafgaand aan de opsomming van de intrekkinggronden in artikel 11, eerste lid, aanhef, van de voorschriften bij de vergunning, verleend bij besluit van 23 april 2002.
2.2. Appellante heeft als enige beroepsgrond bij de rechtbank aangevoerd dat de woorden ‘in ieder geval’, voorafgaand aan de opsomming van de intrekkinggronden in artikel 11, eerste lid, aanhef, van de voorschriften bij de vergunning, verleend bij besluit van 23 april 2002, ertoe leidt dat deze vergunning op een essentieel onderdeel afwijkt van de op 6 augustus 1993 aan haar verleende vergunning.
Zij heeft dit voor het eerst in beroep bij de rechtbank aangevoerd. Het bezwaarschrift richtte zich tegen andere aspecten van de vergunning, waaronder het in artikel 11, derde lid, opgenomen voorschrift.
De op artikel 11, eerste lid, aanhef, van de voorschriften betrekking hebbende beroepsgrond betreft een onderdeel van het besluit dat geheel los staat van de onderdelen, waartegen de gemaakte bezwaren zich richtten. Nu de bezwaren zich niet richtten tegen dit onderdeel van het besluit, stond dit bij de heroverweging op grondslag van het bezwaar niet ter beoordeling van het college. Appellante kon dit aspect om die reden niet alsnog in beroep aan de orde stellen. De rechtbank heeft deze beroepsgrond dan ook terecht niet gehonoreerd, zij het dat zij heeft miskend dat voor een inhoudelijke beoordeling van deze beroepsgrond geen plaats was. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft betoogd, kan om die reden niet tot gegrondbevinding van het hoger beroep leiden.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden, te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. De Leeuw-van Zanten
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2004
97-402.