ECLI:NL:RVS:2004:AO7980

Raad van State

Datum uitspraak
14 april 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200401840/1 en 200401840/2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd
  • G.K. Klap
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.4 WmArt. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbArt. 8.6 WmArt. 3:14 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging revisievergunning bitumineuze afdichtingsbanen wegens procedurefouten

Bij besluit van 16 januari 2004 verleende de gemeente Apeldoorn aan Bitufa Waterproofing B.V. een revisievergunning voor de fabricage van bitumineuze afdichtingsbanen op een perceel te Apeldoorn. Appellante stelde dat zij niet in de gelegenheid was gesteld haar zienswijze te geven op het rapport en het besluit, terwijl het besluit voor het eerst duidelijk maakte welke wanden een brandwerendheid van 60 minuten moesten hebben.

De Raad van State overwoog dat verweerder bij het opnieuw in de zaak voorzien niet zonder meer een geheel nieuwe vergunning kan verlenen zonder de procedures uit de Wet milieubeheer en de Algemene wet bestuursrecht in acht te nemen. Het besluit was in strijd met het stelsel van de Awb omdat niet alleen de vernietigde voorschriften waren aangepast, maar de gehele vergunning was gewijzigd zonder de juiste procedure.

Daarom werd het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Tevens werd de gemeente Apeldoorn veroordeeld tot betaling van proceskosten en vergoeding van het griffierecht. De uitspraak benadrukt het belang van correcte procedurele behandeling bij vergunningverlening onder de Wet milieubeheer.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van 16 januari 2004 wordt vernietigd wegens procedurele tekortkomingen.

Uitspraak

200401840/1 en 2.
Datum uitspraak: 14 april 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van Pro die wet, op het beroep, in het geding tussen:
de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Bitufa Waterproofing B.V.", gevestigd te Apeldoorn
appellante,
en
het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 16 januari 2004, kenmerk WM 13672, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor het fabriceren van bitumineuze afdichtingsbanen op het perceel aan de Laan van Spitsbergen 93-95 te Apeldoorn. Dit besluit is op 16 januari 2004 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 26 februari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 26 februari 2004, beroep ingesteld.
Bij deze brief heeft appellante de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het beroep ter zitting behandeld op 16 maart 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. A.A. de Groot, advocaat te Delft, en R.H.F. van Delden, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door M. Bomhof zijn verschenen.
Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2. Overwegingen
2.1. In haar uitspraak van 29 april 2003, no. 200202352/1, heeft de Afdeling, voorzover hier van belang, geoordeeld dat uit de samenhang tussen vergunningvoorschrift 9.2.1 en de tekening die deel uitmaakt van de vergunning niet duidelijk was welke wandconstructies een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van 60 minuten dienden te hebben. Op grond hiervan heeft de Afdeling het destijds ter discussie staande besluit vernietigd wegens strijd met de rechtszekerheid. Tevens heeft de Afdeling verweerder opgedragen ter zake een nieuw besluit te nemen. Mede aan de hand van een op 24 november 2003 door het adviesbureau DGMR opgesteld rapport heeft verweerder het thans bestreden besluit genomen.
2.2. Appellante voert, onder meer, aan dat verweerder haar ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld haar zienswijze over het rapport en het bestreden besluit in te dienen. Zij stelt dat zij hier meerdere malen uitdrukkelijk om heeft verzocht. Dit klemt te meer nu verweerder in het bestreden besluit voor de eerste maal kenbaar heeft gemaakt welke wanden over een brandwerendheid van tenminste 60 minuten moeten beschikken. Appellante is van mening dat het besluit daarom in strijd met de hiervoor geldende procedures is genomen.
2.3. De Voorzitter overweegt dat verweerder bij het opnieuw in de zaak voorzien ingevolge artikel 8.6 van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 3:14 van Pro de Algemene wet bestuursrecht toepassing kan geven aan de paragrafen 3.5.2 tot en met 3.5.5 van de Algemene wet bestuursrecht, dan wel terug kan vallen op de aan het vernietigde besluit ten grondslag liggende procedure.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat verweerder zich in het bestreden besluit niet heeft beperkt tot het aanpassen van de door de Afdeling in haar uitspraak van 29 april 2003, no. 200202352/1, vernietigde voorschriften, maar een geheel nieuwe revisievergunning heeft verleend. Nu de Afdeling niet het gehele besluit heeft vernietigd is dit in strijd met het stelsel van de Algemene wet bestuursrecht. Zonder toepassing te geven aan de hiervoor in Afdeling 8.1.2 van de Wet milieubeheer opgenomen procedures is het onder deze omstandigheden niet mogelijk de gehele vergunning te wijzigen. Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.
2.4. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van de gemeente Apeldoorn van 16 januari 2004, WM 13672;
III. veroordeelt de gemeente Apeldoorn in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 772,65, waarvan een bedrag groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Apeldoorn te worden betaald aan appellante;
IV. gelast dat de gemeente Apeldoorn aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.
w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Klap
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2004
315.