AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging bevoegdheid college voor vrijstelling woninguitbreiding binnen bebouwde kom
Het college van burgemeester en wethouders van Lopik verleende op 11 september 2001 vrijstelling voor het vergroten van een woning en het oprichten van een schuur binnen de bebouwde kom. Appellanten stelden dat het college hiertoe niet bevoegd was, mede vanwege het provinciaal beleid en de ligging van de schuur op agrarisch gebied met landschappelijke waarde.
De rechtbank Utrecht oordeelde dat de woning binnen de bebouwde kom ligt en dat de schuur als bijgebouw functioneel ten dienste staat van de woning, waardoor het college bevoegd was de vrijstelling te verlenen. Dit oordeel werd bekrachtigd door de Raad van State.
De Raad van State stelde vast dat de rode contouren in het streekplan slechts de stedelijke uitbreidingsgrenzen aangeven en niet de bebouwde kom definiëren. Omdat het aantal woningen binnen de bebouwde kom niet toeneemt, was het college bevoegd tot vrijstelling. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitspraak
200305811/1.
Datum uitspraak: 21 april 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellanten], beiden wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 21 juli 2003 in het geding tussen:
appellanten
en
het college van burgemeester en wethouders van Lopik.
1. Procesverloop
Bij besluit van 11 september 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lopik (hierna: het college) onder verlening van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) aan [vergunninghouders] vergunning verleend voor het vergroten van de woning en het oprichten van een schuur op het perceel [locatie] te [plaats].
Bij besluit van 10 januari 2002 heeft het college geweigerd bestuursdwang toe te passen met betrekking tot de in afwijking van de verleende bouwvergunning gerealiseerde schuur.
Bij besluit van 25 april 2002 heeft het college de tegen deze besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 juli 2003, verzonden op 23 juli 2003, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 1 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 15 oktober 2003. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 27 november 2003 heeft het college van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 maart 2004, waar [een van de appellanten], bijgestaan door mr. W. Visser, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door M.A. van Schaik-van Amerongen en A. Bekker-Kerssen, beiden ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Appellanten betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college bevoegd was om vrijstelling te verlenen als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) in samenhang met artikel 20 vanPro het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: het Bro 1985).
2.2. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat de woning is gelegen binnen de bebouwde kom als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder a, sub 1, van het Bro 1985. De woning maakt deel uit van een min of meer aaneengesloten gebied, aansluitend aan de kern Uitweg, en vormt daarmee een functionele eenheid. Het betoog van appellanten dat deze vaststelling in strijd is met het provinciaal beleid, zoals dit is vastgelegd in zowel het vigerende als in het ontwerpstreekplan, is onjuist. De in het streekplan aangegeven rode contouren geven slechts de grens van de stedelijke uitbreiding van de kernen aan. Het gaat daarbij niet om het benoemen van gebieden als bebouwde kom of buitengebied.
De rechtbank heeft eveneens terecht overwogen dat de schuur kan worden aangemerkt als een bijgebouw bij de woning. Niet in geschil is dat de schuur functioneel ten dienste van de woning staat. De omstandigheid dat de schuur – anders dan de woning – is gesitueerd op gronden met de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke waarde (ALW)“, leidt niet tot een ander oordeel.
2.3. Nu vaststaat dat met het verlenen van de onderhavige vrijstelling het aantal woningen binnen de bebouwde kom niet toeneemt, was het college, gelijk de rechtbank heeft overwogen, bevoegd de vrijstelling te verlenen.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.