ECLI:NL:RVS:2004:AO7995

Raad van State

Datum uitspraak
16 april 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200402497/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • K. Brink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:32 AwbArt. 8:1 WmArt. 8:81 AwbArt. 122 Provinciewet
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing last onder dwangsom wegens onduidelijkheid vergunning milieubeheer

Op 11 maart 2004 legde het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan verzoekster een last onder dwangsom op wegens het in strijd met artikel 8:1 van Pro de Wet milieubeheer uitoefenen van activiteiten op een perceel te Naaldwijk. Verzoekster betwistte dat zij in strijd met de wet handelde en verwees naar een nog geldige milieuvergunning die op het perceel van toepassing zou zijn.

De Voorzitter stelde vast dat de vergunning, verleend in 1989 krachtens de Hinderwet aan de vorige eigenaar, nog van kracht is en dat verweerder niet heeft aangegeven of de overtreden activiteiten geheel of gedeeltelijk rechtmatig zijn op grond van deze vergunning. Hierdoor was onduidelijk of het bestuursorgaan bevoegd was de last onder dwangsom op te leggen.

Gezien deze onzekerheid besloot de Voorzitter het besluit tot last onder dwangsom te schorsen voor een periode van zes weken na de beslissing op bezwaar, met mogelijkheid tot verlenging. Tevens werd het betaalde griffierecht aan verzoekster vergoed. Er werden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het besluit tot last onder dwangsom is geschorst wegens onduidelijkheid over de geldigheid van de milieuvergunning.

Uitspraak

200402497/1.
Datum uitspraak: 16 april 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekster], gevestigd te [plaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 11 maart 2004, kenmerk DGWM/2003/2976, heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd als bedoeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het in strijd met artikel 8:1, eerste lid, van de Wet milieubeheer uitoefenen van een aantal nader in het besluit omschreven activiteiten op het perceel [locatie sub 1] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Naaldwijk, sectie […], nummers […].
Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.
Bij brief van 23 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 24 maart 2004, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 29 maart 2004, waar verzoekster, vertegenwoordigd door ing. J.A. Mol, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. K.D. van Oostveen en mr. J. den Boer, beiden ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.
Buiten bezwaren van partijen zijn nadere stukken in het geding gebracht.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer is het verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting op te richten, te veranderen of de werking daarvan te veranderen dan wel in werking te hebben.
Ingevolge artikel 122 van Pro de Provinciewet is het provinciaal bestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.
Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang tot te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.
2.2. Bij besluit van 25 april 1997 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan verzoekster een vergunning verleend voor het oprichten en in werking houden van een inrichting voor onder meer het be- en verwerken van metaalschroot en het inzamelen en verschroten van autowrakken op het perceel [locatie sub 2] te [plaats]. Deze vergunning heeft geen betrekking op het perceel waarop het bestreden besluit ziet.
2.3. Verzoekster betwist dat in strijd met artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt gehandeld. Zij stelt dat de voor het perceel [locatie sub 1] te [plaats] geldende milieuvergunning de in geding zijnde activiteiten toestaat.
2.3.1. De Voorzitter stelt vast dat het college van burgemeester en wethouders van Naaldwijk bij besluit van 7 november 1989 aan [vergunninghouder] een vergunning heeft verleend krachtens de Hinderwet die betrekking heeft op het perceel waarop het bestreden besluit ziet. Ter zitting is gebleken dat verzoekster dit perceel in 2001 in eigendom heeft verkregen. Door verzoekster is onweersproken gesteld dat deze vergunning nog van kracht is. Verweerder heeft in het bestreden besluit niet vermeld of en in hoeverre de in geding zijnde activiteiten geheel, dan wel gedeeltelijk rechtmatig mogen worden uitgevoerd op grond van deze vergunning. Gelet hierop is niet duidelijk of artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer werd overtreden en, in verband hiermee, of verweerder bevoegd was ter zake een last onder dwangsom op te leggen. Hierin ziet de Voorzitter aanleiding de na te melden voorlopige voorziening te treffen.
2.4. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 11 maart 2004, kenmerk DGWM/2003/2976, tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist;
II. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 273,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van Staat.
w.g. Brink w.g. Fransen
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2004
407.