ECLI:NL:RVS:2004:AO8446

Raad van State

Datum uitspraak
28 april 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200304129/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:7 AwbArt. 6:18 AwbArt. 4:23 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek financiële bijdrage voor dansonderwijs door college Boarnsterhim bevestigd

Het college van burgemeester en wethouders van Boarnsterhim heeft in 2001 het gezamenlijke verzoek van het Centrum voor de Kunsten a7 en de Stichting Muziekschool Boarnsterhim om een financiële bijdrage voor dansonderwijs afgewezen. Na bezwaar en een uitspraak van de rechtbank Leeuwarden die de beroepen ongegrond verklaarde, stelden appellanten hoger beroep in bij de Raad van State.

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft vastgesteld dat het hoger beroep zich beperkt tot de afwijzing van het subsidiaire verzoek om een incidentele subsidie. De rechtbank had volgens appellanten ten onrechte alleen geoordeeld over de structurele subsidie, maar de Raad oordeelt dat het college het verzoek om een incidentele subsidie terecht als een eenmalige bijdrage in het kader van de structurele subsidieaanvraag heeft opgevat.

Het college heeft voldoende gemotiveerd waarom het geen eenmalige bijdrage heeft toegekend, ondanks het advies van de commissie beroep- en bezwaarschriften. Verwachtingen die appellanten meenden te hebben op basis van uitlatingen van een wethouder zijn niet concreet aangetoond. Het enkele uitblijven van een reactie op brieven rechtvaardigt geen gerechtvaardigd vertrouwen.

De Raad verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt het oordeel van de rechtbank. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om subsidie door het college wordt bevestigd.

Uitspraak

200304129/1.
Datum uitspraak: 28 april 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
1. het Centrum voor de Kunsten a7 (rechtsopvolger van de Muziek- en Dansschool Schoterwerven) en
2. de stichting Stichting Muziekschool Boarnsterhim, gevestigd te Heerenveen respectievelijk Grou,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 22 mei 2003 in het geding tussen:
appellanten
en
het college van burgemeester en wethouders van Boarnsterhim.
1. Procesverloop
Bij besluiten van 27 april 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Boarnsterhim (hierna: het college) het gezamenlijke verzoek van appellanten om een financiële bijdrage ten behoeve van het dansonderwijs in Boarnsterhim afgewezen.
Bij herziene besluiten van 26 juli 2001 en van 29 augustus 2001 heeft het college, onder intrekking van de besluiten van 27 april 2001, het verzoek van appellant sub 1 respectievelijk appellant sub 2 wederom afgewezen.
Bij besluiten van 13 december 2001 heeft het college de daartegen door appellanten afzonderlijk gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 mei 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 juni 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 juli 2003. Laatstgenoemde brief is aangehecht.
Bij brief van 21 augustus 2003 heeft het college van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 maart 2004, waar appellanten, vertegenwoordigd door A. van der Sluis, directeur van appellant sub 1, en door mr. J. Nijenhuis, advocaat te Heerenveen, en het college, vertegenwoordigd door M. Mulder, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Bij de in bezwaar gehandhaafde besluiten van 26 juli 2001 en 29 augustus 2001 heeft het college de aanvraag van appellanten om verlening van een structurele financiële bijdrage aan het dansonderwijs in Boarnsterhim afgewezen op de grond dat subsidiëring ervan niet past binnen het gemeentelijk beleid. Toekenning van een incidentele subsidie waarom blijkens de bewoordingen van de brief van appellanten van 6 februari 2001 eveneens impliciet is verzocht, is evenmin door het college gehonoreerd.
2.2. Ter zitting is komen vast te staan dat het hoger beroep van appellanten zich beperkt tot de afwijzing door het college van het - subsidiaire - verzoek van appellanten om verstrekking van een incidentele subsidie ten behoeve van het dansonderwijs. De in het hoger beroepschrift gemaakte opmerkingen over procedurele aspecten met betrekking tot de artikelen 4:7, eerste lid en 6:18, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden, zo is ter zitting door appellanten verklaard, niet gehandhaafd.
2.3. Appellanten stellen zich op het standpunt dat de rechtbank, onder verwijzing naar de belemmering van artikel 4:23, eerste lid, van de Awb, slechts geoordeeld heeft over de juistheid van de afwijzing van het verzoek om verlening van een structurele subsidie. Zij heeft daarentegen niets overwogen ten aanzien van de eveneens door appellanten verzochte incidentele subsidie die op grond van het derde lid, onder d, van dat artikel wel verstrekt had kunnen worden doch die door het college zonder nadere motivering en in weerwil van het advies van de commissie beroep- en bezwaarschriften in bezwaar wederom is afgewezen, aldus appellanten.
2.4. De Afdeling stelt voorop dat uit de aanvraag van appellanten en de brieven die daarop van de zijde van appellanten volgden, duidelijk blijkt dat verzocht is om een structurele financiële bijdrage ten behoeve van het dansonderwijs. Dat het verzoek om verstrekking van een incidentele subsidie voor het lopende seizoen 2000-2001 door het college in dit verband is opgevat als een verzoek om een eenmalige bijdrage in het licht van en vooruitlopend op de structurele dekking waarom was verzocht, is dan ook rechtens niet onjuist. Gelet hierop en op de beleidsvrijheid die bestaat met betrekking tot subsidieverlening, heeft het college genoegzaam gemotiveerd om welke reden het ook niet is overgegaan tot verlening van een eenmalige bijdrage waardoor inzoverre het advies van de commissie beroep- en bezwaarschriften niet is gevolgd.
Het betoog van appellanten dat door de verantwoordelijke portefeuillehouder binnen het college jegens hen verwachtingen zijn gewekt die zouden moeten worden gehonoreerd, zeker nu het college heeft nagelaten te reageren op hun brieven waarin zij verwezen naar positieve uitlatingen van de wethouder terzake de subsidieaanvraag, leidt niet tot een ander oordeel. Dat concrete toezeggingen zijn gedaan, hebben appellanten niet aangetoond. Het enkele feit dat het college niet direct heeft gereageerd op de aanvraag en op de brieven die daarop van de zijde van appellanten volgden, is onvoldoende om in dit verband gerechtvaardigd vertrouwen aan te nemen. Derhalve bestaat geen grond voor het oordeel dat het college ook de incidentele subsidie niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. J.E.M. Polak, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.
w.g. Slump w.g. Dallinga
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2004
18-384.