ECLI:NL:RVS:2004:AO8447

Raad van State

Datum uitspraak
21 april 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200402194/1 en 200402194/2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.4 Wet milieubeheerArt. 20.6 Wet milieubeheerArt. 3:24 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen revisievergunning Wet milieubeheer

Bij besluit van 27 januari 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland een revisievergunning verleend aan een vergunninghouder voor een groothandel en opslag van agrarische producten op een perceel te Schouwen-Duiveland. Appellanten, twee besloten vennootschappen, hebben tegen dit besluit beroep ingesteld en tegelijkertijd een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

De Raad van State heeft het verzoek om voorlopige voorziening behandeld op 6 april 2004, waarbij partijen aanwezig waren en toestemming gaven om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. De Voorzitter overwoog dat appellanten tijdens de termijn voor het indienen van bedenkingen slechts hadden gemeld dat zij bedenkingen hadden, maar niet inhoudelijk hadden toegelicht waaruit deze bestonden. Dit voldeed niet aan de eisen van artikel 3:24 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, waardoor het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard.

Verder oordeelde de Voorzitter dat nader onderzoek niet nodig was en dat er geen redenen waren om het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen. Er werd ook geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan in het openbaar op 21 april 2004 door de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de revisievergunning wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

200402194/1 en 200402194/2.
Datum uitspraak: 21 april 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek van appellanten om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van Pro die wet, op het beroep in het geding tussen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Praxis Doe-Het-Zelf Center B.V." en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Praxis Vastgoed B.V.", beide gevestigd te Amsterdam,
appellanten
en
het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 27 januari 2004 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een groothandel/winkelbedrijf in diverse agrarische producten en voor de opslag van kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Schouwen-Duiveland, sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 6 februari 2004 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 15 maart 2004, bij de Raad van State op dezelfde dag per fax ingekomen, beroep ingesteld.
Bij brief van 15 maart 2004, bij de Raad van State op dezelfde dag per fax ingekomen, hebben appellanten de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 6 april 2004, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. A. Tailleur en P. Trooster, gemachtigden, en verweerder, vertegenwoordigd door J.G. Monteiro en J.A. van Dalen, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.
Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:
a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;
b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;
c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;
d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.
Appellanten hebben gedurende de termijn voor het inbrengen van bedenkingen, gesteld in artikel 3:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, slechts meegedeeld dat bij hen bedenkingen bestonden. Niet is vermeld waaruit die bedenkingen bestaan. Van het indienen van bedenkingen in de zin van artikel 3:24 is Pro slechts sprake indien ten minste beknopt is aangeduid waarom de indiener zich niet met het ontwerp van het besluit kan verenigen. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten redelijkerwijs niet kan worden verweten geen ontvankelijke bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.
2.2. De Voorzitter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat ook overigens geen beletsel bestaat om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2.3. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep niet-ontvankelijk is. Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
II. wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.
Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Heijerman, ambtenaar van Staat.
w.g. Drupsteen w.g. Heijerman
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2004
255-446.