ECLI:NL:RVS:2004:AO8453
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- J.E.M. Polak
- C.H.M. van Altena
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing vergunning vissen met vaste vistuigen in de Westerschelde
Appellante verzocht om een vergunning voor het vissen met vaste vistuigen in de Westerschelde, welke door de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij werd afgewezen. De afwijzing werd bevestigd na bezwaar en door de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage.
Appellante stelde in hoger beroep dat Belgische riviervissers van oudsher zonder vergunning vissen en dat dit een gedoogde situatie betrof, waardoor zij op grond van historische rechten van het Beleidsbesluit had mogen afwijken. De Raad van State oordeelde dat appellante pas sinds 2000 bedrijfsmatig vist zonder vergunning en dat proces-verbaal tegen haar was opgemaakt. Er was geen bewijs dat de Staatssecretaris haar activiteiten gedoogde of dat er sprake was van een gedoogde situatie voor Belgische vissers.
De Raad van State stelde vast dat de bewijslast bij appellante lag om haar stellingen aannemelijk te maken, wat niet was gelukt. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de vergunning bevestigd.