ECLI:NL:RVS:2004:AO8462
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Th.G. Drupsteen
- W. van Hardeveld
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen nadere eisen geluidbelasting horeca-inrichting Groningen
Bij besluit van 12 maart 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen nadere eisen opgelegd aan een horecagelegenheid met betrekking tot het maximale geluidniveau binnen de inrichting. De eisen betroffen onder meer een maximale geluidbelasting van 80 dB(A), het gebruik van een geluidbegrenzer, het verbod op levende muziek en het gesloten houden van ramen en deuren tijdens muziek.
Appellant betoogde dat het eerdere besluit van september 2002 onterecht was, dat er geen klachten waren over geluidsoverlast, dat de opgelegde grens van 80 dB(A) onnodig was, en dat het verbod op levende muziek zijn bedrijfsvoering onaanvaardbaar zou beperken. De Raad van State oordeelde dat het eerdere besluit formele rechtskracht had gekregen en dat appellant daartegen geen rechtsmiddelen had aangewend.
De Raad stelde vast dat geluidmetingen door de milieudienst aantoonden dat het equivalente geluidniveau binnen de inrichting niet hoger mocht zijn dan 80,2 dB(A) om overschrijding van de grenswaarden bij de dichtstbijzijnde woningen te voorkomen. De stellingen van appellant dat de eisen onnodig waren of dat levende muziek geen overschrijding zou veroorzaken, waren onvoldoende onderbouwd.
De Raad concludeerde dat het college van B&W in redelijkheid de nadere eisen had kunnen opleggen en dat het beroep ongegrond was. Tevens werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de nadere eisen geluidbelasting is ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.