ECLI:NL:RVS:2004:AO8858
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- E.M.H. Hirsch Ballin
- K. Brink
- P.C.E. van Wijmen
- Rechtspraak.nl
Intrekking vergunning grondwateronttrekking wegens niet-gebruik gedurende vier jaar
Verweerder heeft op 31 mei 2002 de vergunning voor het onttrekken van grondwater aan appellant ingetrokken op grond van artikel 25, tweede lid, aanhef en onder b, van de Grondwaterwet, omdat van de vergunning gedurende vier achtereenvolgende jaren geen gebruik zou zijn gemaakt.
Appellant betoogde dat hij de vergunning wel gebruikte en dat de intrekking onterecht was. Verweerder stelde dat appellant zijn adreswijziging niet had doorgegeven, waardoor belangrijke correspondentie niet bij appellant was aangekomen. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat de vergunning daadwerkelijk werd gebruikt.
De Raad van State oordeelde dat appellant door eigen toedoen onbereikbaar was voor verweerder en dat verweerder terecht mocht aannemen dat de vergunning niet werd gebruikt. De stukken van appellant betroffen slechts een deelperiode en boden onvoldoende bewijs voor continu gebruik.
De intrekking van de vergunning was daarom gegrond en het beroep werd ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de vergunning grondwateronttrekking is ongegrond verklaard.