ECLI:NL:RVS:2004:AO8866
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- S.I.M. Peute
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongeldigverklaring rijbewijs wegens alcoholafhankelijkheid
Appellant werd door de Minister van Verkeer en Waterstaat op 12 september 2002 beoordeeld als niet geschikt om motorrijtuigen te besturen, waarna zijn rijbewijs ongeldig werd verklaard voor alle categorieën. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze besluiten, maar zowel de Minister als de rechtbank verklaarden deze ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellant dat de norm van artikel 8.8 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 niet op hem van toepassing was, omdat uit het tweede psychiatrische onderzoek geen alcoholmisbruik bleek. De Raad van State oordeelde echter dat beide geneeskundige onderzoeken een diagnose van alcoholafhankelijkheid bevestigden volgens de DSM-IV-classificatie, wat de Minister rechtvaardigde om het rijbewijs ongeldig te verklaren.
Verder stelde de Afdeling vast dat de wettelijke bepalingen dwingend voorschrijven dat het rijbewijs ongeldig wordt verklaard bij onvoldoende lichamelijke geschiktheid, zonder ruimte voor individuele belangenafweging. Ook het argument dat de bestuursrechtelijke maatregel disproportioneel zou zijn in het licht van een strafrechtelijke veroordeling werd verworpen, omdat de bestuursrechtelijke procedure losstaat van de strafrechtelijke.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Maastricht. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de ongeldigverklaring van het rijbewijs bevestigd.