Appellant verzocht om een toevoeging op grond van de Wet op de rechtsbijstand, welke door het bureau rechtsbijstandvoorziening van de raad voor rechtsbijstand Amsterdam is afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De raad verklaarde het administratief beroep gegrond voor zover het ging om de motivering, maar handhaafde de gevolgen van het besluit. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep bij de Raad van State werd overwogen dat de bij de aanvraag overgelegde gegevens onvoldoende waren om het inkomen en vermogen van appellant te toetsen, met name vanwege onduidelijkheid over de waarde van een koopsom met lijfrente. Ondanks verzoeken om aanvullende informatie heeft appellant deze niet verstrekt.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht de afwijzing heeft gehandhaafd en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de toevoeging bevestigd.
Uitspraak
200307527/1.
Datum uitspraak: 6 mei 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 september 2003 in het geding tussen:
appellant
en
de raad voor rechtsbijstand Amsterdam.
1. Procesverloop
Bij besluit van 13 februari 2001 heeft het bureau rechtsbijstandvoorziening van de raad voor rechtsbijstand Amsterdam de aanvraag van appellant om een toevoeging op grond van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) afgewezen.
Bij besluit van 11 februari 2002 heeft de raad voor rechtsbijstand Amsterdam (hierna: de raad) het daartegen ingestelde administratief beroep gegrond verklaard voor zover gericht tegen de motivering en dit besluit in zoverre vernietigd met de bepaling dat de gevolgen ervan in stand dienen te blijven.
Bij uitspraak van 29 september 2003, verzonden op diezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 10 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op 13 november 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 13 januari 2004 heeft de raad van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 april 2004, waar appellant is verschenen. De raad is met bericht niet verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 28, eerste lid aanhef en onder a, van de Wrb kan het bureau de toevoeging weigeren indien het verzoek niet is ondertekend, onvoldoende is toegelicht of niet is voorzien van de voor de beoordeling van het verzoek van belang zijnde verklaringen of andere bewijsstukken en de verzoeker na op dat verzuim te zijn gewezen heeft nagelaten dit binnen een door het bureau gestelde termijn te herstellen.
2.2. Vast staat dat de reeds bij de toevoegingsaanvraag overgelegde gegevens bij de behandeling van het administratief beroep niet toereikend waren om het inkomen en vermogen van appellant te toetsen. Onduidelijk was namelijk wat het aandeel was van een koopsom met lijfrente, welke niet deel uitmaakt van het vermogen in de zin van artikel 9 vanPro het Besluit draagkrachtcriteria rechtsbijstand.
2.3. Bij brief van 19 oktober 2001 heeft de raad teneinde de waarde van die koopsom alsmede het overig inkomen en vermogen van appellant te kunnen toetsen aan diens raadsman verzocht om toezending van een aantal met die vragen verband houdende bescheiden en om beantwoording van een aantal vragen met betrekking tot de te voeren procedure. Deze heeft bij brief van 16 november 2001 verzocht om uitstel voor het indienen van de gevraagde gegevens, hetwelk hem door de raad bij brief van 20 november 2001 is verleend tot uiterlijk 18 december 2001. De raadsman heeft de gegevens, die voor de toetsing van het door appellant opgegeven inkomen en vermogen van belang zijn, niet overgelegd.
2.4. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de raad gelet op het vorenstaande op juiste gronden de afwijzing van de aanvraag van appellant in administratief beroep heeft gehandhaafd.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.