ECLI:NL:RVS:2004:AO8892

Raad van State

Datum uitspraak
6 mei 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200307753/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • W. van den Brink
  • S.I.M. Peute
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wet pbrArt. 4:5 AwbArt. 4:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering toestemming voor portierswerkzaamheden op grond van Wet pbr

Appellant verzocht om toestemming voor het verrichten van portierswerkzaamheden bij Euro Beveiliging B.V. en ICU Security, welke door de korpschef van de politieregio Utrecht werd geweigerd op grond van artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wet pbr).

De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat appellant geen bezwaarschrift had ingediend tegen het eerdere besluit van 12 oktober 2000, waardoor dat besluit onaantastbaar was. Tevens ontbraken nieuwe feiten of omstandigheden die een heroverweging konden rechtvaardigen.

De Raad van State sluit zich hierbij aan en oordeelt dat de door appellant aangevoerde omstandigheden, zoals het afronden van een horecaportiercursus en het niet kunnen vinden van werk via de sociale dienst, geen nieuwe feiten zijn in de zin van artikel 4:6 Awb Pro. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt eveneens.

De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van toestemming voor portierswerkzaamheden wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

200307753/1.
Datum uitspraak: 6 mei 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 5 november 2003 in het geding tussen:
appellant
en
de korpschef van de politieregio Utrecht.
1. Procesverloop
Bij besluit van 12 oktober 2000 heeft de korpschef van de politieregio Utrecht (hierna: de korpschef) aan appellant meegedeeld de toestemming als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: Wet pbr) te onthouden voor het door hem verrichten van - onder meer – portierswerkzaamheden voor Euro Beveiliging B.V. te Nieuwegein.
Bij besluit van 21 augustus 2002 heeft de korpschef aan appellant meegedeeld de toestemming als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet pbr te onthouden voor het door appellant verrichten van portierswerkzaamheden voor ICU Security te Utrecht, onder verwijzing naar zijn besluit van 12 oktober 2000.
Bij besluit van 4 oktober 2002 heeft de korpschef het tegen het besluit van 21 augustus 2002 door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 5 november 2003, verzonden op 6 november 2003, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 19 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op 21 november 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 19 december 2003. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 12 januari 2004 heeft de korpschef van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 april 2004, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. R.D.A. van Boom, advocaat te Utrecht, en de korpschef, vertegenwoordigd door mr. D.E. Blonk en G.B.A. van der Wulp, beiden werkzaam bij de politieregio Utrecht, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat in hetgeen appellant heeft aangevoerd onvoldoende grond is gelegen voor het oordeel dat er sprake is van een niet ongeloofwaardige ontkenning van de ontvangst van het besluit van 12 oktober 2000. Nu appellant tegen het besluit van 12 oktober 2000 geen bezwaarschrift heeft ingediend, is dit besluit in rechte onaantastbaar.
2.2. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan.
Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan het bestuursorgaan de aanvraag zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van Pro de Awb afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, wanneer niet zulke feiten of omstandigheden worden vermeld.
2.3. De Afdeling sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank dat van nieuwe feiten en omstandigheden als in evengenoemde bepaling bedoeld geen sprake was. Ook de Afdeling is van oordeel dat de door appellant gestelde omstandigheden dat hij de cursus “horecaportier” heeft afgerond en dat hij via de sociale dienst niet aan het werk kan komen, niet zijn aan te merken als zodanige omstandigheden. De rechtbank heeft in hetgeen appellant heeft aangevoerd dan ook terecht geen aanleiding gezien om te oordelen dat de korpschef ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.
De door appellant ter zitting bij de rechtbank met een beroep op het gelijkheidsbeginsel genoemde gevallen kunnen niet tot een ander oordeel leiden. Niet valt in te zien dat appellant die niet eerder in de procedure naar voren heeft kunnen brengen.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.I.M. Peute, ambtenaar van Staat.
w.g. Van den Brink w.g. Peute
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2004
391.