ECLI:NL:RVS:2004:AO9194
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- M. Oosting
- J.G.C. Wiebenga
- H. Borstlap
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering handhaving bodemverontreiniging en opgave nieuwe beslissing
Appellanten verzochten het college van burgemeester en wethouders van Oostzaan om bestuurlijke handhavingsmaatregelen te treffen tegen vermeende overtredingen door een vergunninghoudster op een perceel te Oostzaan, waaronder het opslaan van bouwmaterialen en het ophogen van de bodem met asbesthoudend materiaal in strijd met de Hinderwetvergunning en het Bouwstoffenbesluit.
Het college wees het verzoek om handhaving af, waarna appellanten bezwaar maakten en vervolgens beroep instelden bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat het college onvoldoende had gemotiveerd welke bezwaren gegrond waren verklaard en dat het niet duidelijk was of de activiteiten onder het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer vielen. Tevens was de afwijzing van handhaving tegen overtredingen van het Bouwstoffenbesluit niet zorgvuldig voorbereid.
De Afdeling oordeelde dat het college niet zonder meer het verzoek om handhaving mocht afwijzen in afwachting van nieuwe bodemonderzoeken, zeker gezien de mogelijke aanwezigheid van asbest en eerdere verzoeken tot handhaving. Het beroep werd gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het college opgedragen binnen zes weken een nieuwe beslissing te nemen op basis van een door hen geëntameerd bodemonderzoek.
Daarnaast werd het college veroordeeld tot betaling van proceskosten en vergoeding van het griffierecht aan appellanten.
Uitkomst: Het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Oostzaan wordt vernietigd en het college wordt opgedragen binnen zes weken een nieuwe beslissing te nemen op basis van een bodemonderzoek.