ECLI:NL:RVS:2004:AO9210
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd
- Rechtspraak.nl
Weigering revisievergunning veehouderij wegens vervallen bestaande rechten en stankhinder
Verweerder heeft bij besluit van 6 augustus 2003 geweigerd een revisievergunning te verlenen voor een veehouderij op een perceel te [plaats], omdat de bestaande rechten voor het houden van 34.000 kippen waren vervallen. Dit volgde uit een brief van 18 januari 1991 waarin appellant schriftelijk verklaarde het aantal kippen te verminderen zodra een vergunning voor een andere inrichting werd verleend en de nieuwe stallen gerealiseerd zouden zijn.
Appellant betoogde dat de stallen pas na de inwerkingtreding van de Wet milieubeheer in 1994 waren gerealiseerd en dat de rechten daarom niet vervallen konden zijn. Ook stelde hij dat de kippen altijd aanwezig waren gebleven en dat er nooit handhavend was opgetreden.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de brief van 18 januari 1991 als een verklaring in de zin van artikel 27, vierde lid, van de oude Hinderwet moest worden beschouwd en dat de vergunningen voor het houden van 34.000 kippen daarom waren vervallen. De feitelijke aanwezigheid van kippen en het ontbreken van handhaving deden hieraan niet af. Daarnaast was de vergunning geweigerd vanwege ontoelaatbare stankhinder, omdat niet aan de minimale afstandseisen was voldaan.
Het beroep van appellant werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de revisievergunning wordt ongegrond verklaard en de vergunning wordt niet verleend.