ECLI:NL:RVS:2004:AO9223

Raad van State

Datum uitspraak
12 mei 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200307848/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.C.K.W. Bartel
  • M.A. Voskamp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 Wet op de Ruimtelijke OrdeningArt. 10:27 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen goedkeuring wijzigingsplan bestemmingsplan Buitengebied 1995 te Woudenberg

Bij besluit van 19 augustus 2003 hebben burgemeester en wethouders van Woudenberg het 14e wijzigingsplan bestemmingsplan Buitengebied 1995 vastgesteld, dat onder meer de bouw van een woning mogelijk maakt op een perceel met voormalige agrarische bebouwing.

Appellanten stelden dat het naastgelegen perceel wordt gebruikt voor de stalling van vijf vrachtwagens, wat op grond van overgangsrecht mag worden voortgezet, en dat dit tot overlast kan leiden voor de nieuwe woning. Zij voerden aan dat dit bij de beoordeling van het wijzigingsplan betrokken had moeten worden.

Verweerder, het college van gedeputeerde staten van Utrecht, oordeelde dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat het woon- en leefklimaat niet onaanvaardbaar wordt aangetast. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat het perceel met de vrachtwagenstalling een woonbestemming heeft en dat de afstand tussen de percelen ongeveer 45 meter bedraagt. Ook is de woning voorzien van een dove gevel aan de zijde van de vrachtwagenstalling.

De Afdeling achtte het niet aannemelijk dat het stallen van vrachtwagens leidt tot ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat. Bovendien zijn aanvullende geluidsmetingen en maatregelen toegezegd. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en het besluit tot goedkeuring van het wijzigingsplan blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de goedkeuring van het wijzigingsplan wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

200307848/1.
Datum uitspraak: 12 mei 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellanten], gevestigd te [plaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Utrecht,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 19 augustus 2003, hebben burgemeester en wethouders van Woudenberg het "14e wijzigingsplan bestemmingsplan Buitengebied 1995" vastgesteld.
Verweerder heeft bij zijn besluit van 30 september 2003, nr. 2003REG002466i beslist over de goedkeuring van het wijzigingsplan.
Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 24 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op 25 november 2003, beroep ingesteld.
Bij brief van 30 januari 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 maart 2004, waar appellanten vertegenwoordigd door mr. J.W. van der Linde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. S.C. van den Broek zijn verschenen.
Voorts is het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door H. Kamies, daar verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een wijzigingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voor zover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Bij de beslissing omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van Pro de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan overigens niet in strijd zijn met het recht.
De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.
2.2. Het wijzigingsplan heeft betrekking op het perceel [locatie 1]. Het plan kent aan een deel van dat perceel de (mede)bestemming “Wonen” toe waardoor de bouw van een woning op de plek van de voormalige agrarische bebouwing mogelijk wordt gemaakt.
2.3. Appellanten stellen dat verweerder het plan ten onrechte heeft goedgekeurd omdat daarin geen rekening is gehouden met haar belangen.
Zij stellen dat het gebruik van het naastgelegen perceel [locatie 2] ten behoeve van de stalling van vijf vrachtwagens op grond van het overgangsrecht mag worden voortgezet, en dit gegeven bij de beoordeling van het plan had moeten worden betrokken. De aanwezigheid van de vrachtwagens zou overlast kunnen geven ten aanzien van de in het plan voorziene woning.
2.4. Verweerder heeft geen reden gezien om het wijzigingsplan in strijd met een goede ruimtelijke ordening ter achten en heeft het plan goedgekeurd. Hij stelt dat het vigerende bestemmingsplan voor het perceel [locatie 2] voorziet in een woonbestemming en dat bedrijfsactiviteiten van het containerbedrijf niet zijn toegestaan. Het gebruik van de gronden voor het stallen van vrachtwagens mag op grond van het overgangsrecht worden voortgezet. Verweerder acht het niet aannemelijk dat voor de bewoners van de woning [locatie 1] een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat zal ontstaan.
2.5. De Afdeling stelt vast dat in het bestemmingsplan “Buitengebied 1995” aan de gronden die deel uitmaken van het perceel [locatie 2] de bestemming “Wonen” is toegekend. De afstand tussen het perceel [locatie 2] en de gronden waarop de woning kan worden gebouwd bedraagt ongeveer 45 meter. De stelling van de gemeente dat het geluid dat wordt veroorzaakt door het stallen van vrachtwagens op het perceel [locatie 2] gedeeltelijk zal opgaan in het geluid van de Zeisterweg wordt door appellanten niet bestreden. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt voorts dat de op het perceel [locatie 1] voorziene woning aan de zijde die is gekeerd naar de plaats waar de vrachtwagens worden gestald zal worden voorzien van een zogenoemde “dove gevel”.
2.6. De Afdeling acht het gelet op het vorenstaande niet aannemelijk dat het stallen van vrachtauto’s op het perceel [locatie 2] zal leiden tot een ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat voor bewoners van de woning op het perceel [locatie 1]. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat ter zitting door het college van burgemeester en wethouders is verklaard dat alsnog geluidsmetingen zullen worden gedaan en dat zonodig aanvullende maatregelen zullen worden genomen, bijvoorbeeld in de vorm van de aanleg van een geluidswal, om de belangen van appellanten en de bewoners van de woning op het perceel [locatie 1] veilig te stellen.
De Afdeling is gelet op het vorenstaande van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep is ongegrond.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Voskamp, ambtenaar van Staat.
w.g. Bartel w.g. Voskamp
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2004
370