ECLI:NL:RVS:2004:AO9229
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- W. van den Brink
- E.M. Ouwehand
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bouwvergunning schuur tijdens hoger beroep
Appellant, het college van burgemeester en wethouders van Heumen, had op 2 oktober 2002 een bouwvergunningaanvraag voor het oprichten van een schuur afgewezen. Tegen dit besluit werd bezwaar gemaakt en ongegrond verklaard. Vervolgens verklaarde de rechtbank Arnhem op 30 januari 2004 het beroep van wederpartij gegrond en vernietigde het bestreden besluit, waardoor de bouwvergunning van rechtswege werd verleend.
Appellant stelde dat het bouwen van de schuur tijdens het hoger beroep een ongewenste situatie zou veroorzaken en verzocht om schorsing van de uitspraak van de rechtbank. De wederpartij verklaarde dat met de bouw pas wordt begonnen nadat de vergunning onherroepelijk is geworden.
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de vereiste onverwijlde spoed voor het treffen van een voorlopige voorziening ontbreekt. Er is geen grond voor toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en het verzoek wordt afgewezen. Er volgt geen proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van onverwijlde spoed.