ECLI:NL:RVS:2004:AO9669
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- K. Brink
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom wegens bodemverontreiniging
Verzoekster, een onderneming die zich bezighoudt met het bewaren en verwerken van autowrakken en autoreparatie, kreeg op 25 februari 2004 van het provinciaal bestuur van Zuid-Holland een zevental lasten onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van voorschriften verbonden aan haar oprichtings- en veranderingsvergunning en artikelen 13 en 27 van de Wet bodembescherming.
Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg bij de Raad van State om een voorlopige voorziening. Zij stelde onder meer dat het provinciaal bestuur niet bevoegd was tot het opleggen van de lasten onder dwangsom, omdat het bewijs van bodemverontreiniging ontbrak en bepaalde voorschriften niet waren overtreden. Tevens voerde zij aan dat het bestuur niet in redelijkheid tot handhaving had mogen overgaan gezien de onderhandelingen met de gemeente Rotterdam.
De Voorzitter oordeelde dat het provinciaal bestuur bevoegd was tot het opleggen van de lasten onder dwangsom, gelet op de rapportage van de milieudienst waaruit bleek dat verontreinigende stoffen in de bodem waren gekomen en dat verzoekster geen maatregelen had getroffen noch melding had gemaakt. Ook achtte de Voorzitter het opleggen van de dwangsommen niet onredelijk of onevenredig en vond geen aanleiding tot het schorsen van het besluit. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het opleggen van lasten onder dwangsom wordt afgewezen.