ECLI:NL:RVS:2004:AP0015

Raad van State

Datum uitspraak
26 mei 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200308768/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Th.G. Drupsteen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 5 Besluit Opslag- en transportbedrijven milieubeheer
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit geluidseisen parkeergarage wegens onjuiste geluidsmetingen

Appellante, Q-Park Beheer B.V., kreeg van het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer nadere geluidseisen opgelegd voor haar parkeergarage aan de Draverslaan te Hoofddorp. Deze eisen waren gebaseerd op geluidsmetingen die volgens appellante niet volgens de juiste methode waren uitgevoerd en waarbij geen rekening was gehouden met invloeden van snelwegen en vliegtuigen.

Verweerder stelde dat de gebruikte meetmethode voldeed aan de richtlijnen en dat de invloed van snelwegen en luchthaven Schiphol niet relevant was voor de vaststelling van het omgevingsgeluid. De Raad van State oordeelde echter dat de meettijd van 2 tot 5 minuten onvoldoende was om de karakteristieke variaties in het geluidniveau betrouwbaar vast te stellen en dat het geluid van vliegtuigen niet buiten beschouwing mocht worden gelaten.

Hierdoor was het besluit in strijd met het vereiste van zorgvuldigheid uit artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep werd gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de gemeente werd veroordeeld tot betaling van proceskosten en vergoeding van griffierecht.

Uitkomst: Het besluit van de gemeente Haarlemmermeer tot nadere geluidseisen wordt vernietigd wegens onjuiste en onvoldoende geluidsmetingen.

Uitspraak

200308768/1.
Datum uitspraak: 26 mei 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Q-Park Beheer B.V.", gevestigd te Maastricht,
appellante,
en
het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 15 januari 2003, kenmerk 5530, heeft verweerder op grond van artikel 5, eerste lid, aanhef onder a van het Besluit Opslag- en transportbedrijven milieubeheer nadere eisen met betrekking tot geluid voor de parkeergarage van appellante aan de Draverslaan 7-11 te Hoofddorp vastgesteld.
Bij besluit van 21 november 2003, kenmerk i03.0150306/bo, verzonden op 21 november 2003, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 22 december 2003, bij de Raad van State ingekomen op 24 december 2003, beroep ingesteld.
Bij brief van 3 maart 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 mei 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door B. Brosens, P.J.M. Vliex en ing. R.C. Muchall, gemachtigden, en verweerder, vertegenwoordigd door T.H. van Donge, J. Offerman en J.J.M. Witteman, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Appellante voert aan dat de nadere eisen zijn gebaseerd op geluidmetingen die ten onrechte niet zijn uitgevoerd volgens de methode IL-HR-15-01 van de “Richtlijnen voor karakterisering en meting van het omgevingsgeluid”. Appellante wijst er op dat verweerder bij de meting van het omgevingsgeluid ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de invloed van snelwegen en overkomende vliegtuigen. Zij stelt hierbij dat uit in haar opdracht uitgevoerde geluidmetingen blijkt dat het omgevingsgeluid aanzienlijk hoger ligt en dat de woonwijk daarom ten onrechte is aangemerkt als een rustige woonwijk terwijl er sprake is van een stedelijk gebeid. Volgens appellante zou er als er was uitgegaan van een juiste gebiedstypering geen grond bestaan voor het opleggen van een nadere geluideis.
2.1.1. Verweerder stelt dat de bij gebiedstypering behorende normen uitsluitend gelden indien geen metingen naar het omgevingsgeluid hebben plaatsgevonden. In het onderhavige geval hebben metingen aangetoond dat het omgevingsgeluid aanmerkelijk lager ligt dan de normering die voor de gebiedstypering stedelijk gebied geldt. Er is volgens verweerder geen reden om aan te nemen dat de door hem gehanteerde metingen niet aan de eisen van de methode IL-HR-15-01 van de “Richtlijnen voor karakterisering en meting van het omgevingsgeluid” voldoen. De in het bezwaarschrift door appellante aangevoerde stelling dat de meettijd minstens een half uur moet bedragen is onjuist omdat paragraaf 3.4 van genoemde richtlijn stelt dat de meettijd zodanig lang moet worden gekozen dat een redelijke zekerheid bestaat dat de karakteristieke variaties in het geluidniveau voldoende tot hun recht komen. Daarvan was volgens verweerder in het door hem gehanteerde onderzoek sprake. De invloed van snelwegen en de luchthaven Schiphol kunnen, volgens verweerder, respectievelijke vanwege de afstand en het uitdrukken in andere eenheden bij de vaststelling van het omgevingsgeluid geen rol spelen.
2.1.2. De Afdeling stelt vast dat verweerder bij zijn besluitvorming niet is uitgegaan van een gebiedstypering maar van een vaststelling van de waarde van het omgevingsgeluid. De Afdeling overweegt dat de stelling van verweerder dat het geluid van vliegtuigen bij de vaststelling van het omgevingsgeluid buiten beschouwing moet worden gelaten omdat dergelijk geluid in andere eenheden wordt uitgedrukt niet opgaat. Gelet op zowel de in opdracht van verweerder als de in opdracht van appellante uitgevoerde geluidmetingen komt het de Afdeling aannemelijk voor dat de gehanteerde meettijd van 2 tot 5 minuten daardoor niet tot een redelijke zekerheid leidt dat de karakteristieke variaties in het geluidniveau voldoende tot hun recht komen. De door verweerder gehanteerde meting van het omgevingsgeluid is daarmee op een onjuiste wijze tot stand gekomen. Uit het vorenstaande volgt dat het besluit tot stand is gekomen in strijd met de in artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht vereiste zorgvuldigheid. Deze beroepsgrond treft derhalve doel en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.
2.2. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer van 21 november 2003, kenmerk i03.0150306/bo;
III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 334,87; het bedrag dient door de gemeente Haarlemmermeer te worden betaald aan appellante;
IV. gelast dat de gemeente Haarlemmermeer aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.
w.g. Drupsteen w.g. Klap
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2004
315.