ECLI:NL:RVS:2004:AP0401

Raad van State

Datum uitspraak
2 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200306324/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • W. van den Brink
  • P.A. Offers
  • J.H. van Kreveld
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de openluchtrecreatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking vergunning voor permanente eenheden openluchtrecreatie

Het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland verleende appellant een vergunning voor 14 permanente en 7 niet-permanente eenheden voor het jaar 2000 op grond van de Wet op de openluchtrecreatie. De vergunning voor de 14 permanente eenheden werd echter voor bepaalde tijd verleend vanwege het niet voldoen aan brandveiligheidsvoorschriften. Appellant maakte bezwaar tegen de intrekking van de vergunning voor onbepaalde tijd, maar dit bezwaar werd deels ongegrond verklaard.

De rechtbank Middelburg verklaarde het beroep van appellant tegen deze beslissing ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat hij geen bezwaar had gemaakt tegen de vergunning voor 1999 omdat de geldigheidsduur was verstreken en hij mocht uitgaan van een vergunning voor onbepaalde tijd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde echter dat het verlenen van een vergunning voor bepaalde tijd de intrekking van de vergunning voor onbepaalde tijd impliceerde en dat appellant geen rechtsmiddelen had aangewend tegen het besluit van 19 september 2000.

De Afdeling bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de vergunning voor 14 permanente eenheden wordt bevestigd.

Uitspraak

200306324/1.
Datum uitspraak: 2 juni 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 11 augustus 2003 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland.
1. Procesverloop
Bij besluit van 5 december 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland (hierna: het college) appellant vergunning ingevolge de Wet op de openluchtrecreatie (hierna: de Wor) verleend voor het jaar 2000 voor 14 permanente en 7 niet-permanente eenheden.
Bij besluit van 3 augustus 2001 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 11 augustus 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 september 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 5 november 2003. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 20 januari 2004 heeft het college van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 mei 2004, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. E.S. van Aken, advocaat te Zierikzee, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.A.Y. Schenk-Syswerda en E.T. de Raat, ambtenaren der gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. De rechtbank heeft vastgesteld dat het geschil zich met name toespitst op het bij de beslissing op bezwaar intrekken van de vergunning voor onbepaalde tijd voor 14 permanente eenheden. In dit verband heeft de rechtbank overwogen dat het college bij besluit van 19 september 2000 voor voornoemde 14 permanente eenheden een vergunning voor bepaalde tijd (voor 1999) heeft verleend vanwege het niet voldoen aan de voorschriften met betrekking tot brandblussers, waartegen appellant geen rechtsmiddelen heeft aangewend, zodat ervan dient te worden uitgegaan dat aan appellant voor het jaar 1999 terecht een vergunning voor bepaalde tijd is verleend. Voorts moet, aldus de rechtbank, voor het jaar 2000 worden vastgesteld dat appellant nog immer niet aan de voorschriften voldeed, hetgeen tot de conclusie leidt dat aan hem terecht opnieuw een vergunning voor bepaalde tijd is verleend.
2.2. Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen de voor 1999 verleende vergunning, omdat op het moment van verlening daarvan de geldigheidsduur reeds was verstreken. Het was volgens hem zinloos daartegen alsnog te protesteren, nu hij ervan mocht uitgaan dat nog steeds sprake was van een vergunning voor onbepaalde tijd voor 14 permanente eenheden. Dit betoog leidt de Afdeling niet tot een ander oordeel dan dat van de rechtbank. Het verlenen van een vergunning voor bepaalde tijd voor de betreffende 14 permanente eenheden bij het besluit van 19 september 2000 impliceerde dat de vergunning voor onbepaalde tijd voor die eenheden daarbij werd ingetrokken. Dat was voor appellant voldoende duidelijk. Tegen dat besluit heeft hij geen rechtsmiddel aangewend, zodat de rechtmatigheid daarvan is komen vast te staan. Aan de herhaalde intrekking van de vergunning voor onbepaalde tijd bij de beslissing op bezwaar kan gelet daarop geen betekenis toekomen. Wat appellant in hoger beroep verder heeft aangevoerd, laat de Afdeling buiten beschouwing omdat het aan het bovenstaande niet af doet.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. J.H. van Kreveld, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.
w.g. Van den Brink w.g. Zwemstra
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2004
91-402.