ECLI:NL:RVS:2004:AP1130
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H. Beekhuis
- Rechtspraak.nl
Vernietiging vergunning geluidvoorschriften zandwinning wegens onvoldoende zorgvuldigheid
Bij besluit van 11 november 2003 verleende het college van gedeputeerde staten van Utrecht een vergunning voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor zandwinning en het houden van een zanddepot. Appellanten maakten bezwaar tegen dit besluit en stelden onder meer dat strengere geluidvoorschriften aan de vergunning hadden moeten worden verbonden.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat appellanten wel degelijk procesbelang hadden bij het beroep. De Afdeling stelde vast dat het bevoegd gezag de geluidgrenswaarden in voorschrift 3.1.6 had verruimd ten opzichte van het ontwerpbesluit zonder een nieuw ontwerp ter inzage te leggen, hetgeen niet noodzakelijk was geacht. Wel oordeelde de Afdeling dat de waarden die in voorschrift 3.1.6 waren opgenomen niet overeenkwamen met de lagere waarden uit het akoestisch rapport, waardoor het besluit niet zorgvuldig was genomen.
De Afdeling overwoog dat het bevoegd gezag binnen zijn beoordelingsvrijheid redelijk had gehandeld door geen strengere geluidvoorschriften op te leggen, mede gelet op het tijdelijke karakter van de activiteiten en de technische beperkingen. Het beroep werd daarom gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit vernietigd voor zover het voorschrift 3.1.6 betreft. Het college werd opgedragen binnen 13 weken een nieuw besluit te nemen en de proceskosten werden aan de provincie Utrecht opgelegd.
Uitkomst: Het besluit tot vergunningverlening wordt vernietigd voor zover het geluidvoorschrift 3.1.6 betreft en het college moet binnen 13 weken een nieuw besluit nemen.