ECLI:NL:RVS:2004:AP1599

Raad van State

Datum uitspraak
16 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200305234/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank inzake niet-ontvankelijkheid bezwaar toelating promotie TU Delft

Het College voor Promoties van de Technische Universiteit Delft verklaarde het bezwaar van appellant tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag tot toelating tot promotie niet-ontvankelijk en verklaarde het bezwaar tegen de fictieve weigering kennelijk ongegrond. De rechtbank 's-Gravenhage verklaarde het beroep van appellant gegrond, vernietigde het besluit op bezwaar maar handhaafde de rechtsgevolgen van het bestreden besluit.

Appellant stelde dat hij geen promotor nodig had behalve voor formaliteiten en dat er nieuwe relevante feiten waren aangevoerd. De Raad van State overwoog dat een voorwaarde van het promotiereglement is dat een promotor, een hoogleraar, bereid moet zijn op te treden. Appellant had geen hoogleraar gevonden en de aangevoerde nieuwe feiten waren niet relevant of nieuw in de zin van artikel 4:6 Awb Pro.

De Raad van State oordeelde dat appellant geen belang meer had bij een beslissing op zijn bezwaar tegen het niet tijdig beslissen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

Uitspraak

200305234/1.
Datum uitspraak: 16 juni 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 3 juli 2003 in het geding tussen:
appellant
en
het College voor Promoties van de Technische Universiteit Delft.
1. Procesverloop
Bij besluit van 31 mei 2002 heeft het College voor Promoties van de Technische Universiteit Delft (hierna: het College) het tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig beslissen op een aanvraag gemaakte bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard en voorts het bezwaar van appellant tegen een fictieve weigering op zijn aanvraag om toegelaten te worden tot de promotie kennelijk ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 3 juli 2003, verzonden op 4 juli 2003, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 augustus 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 29 augustus 2003 heeft het College van antwoord gediend.
Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft appellant van repliek gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 april 2004, waar appellant in persoon en het College, vertegenwoordigd door mr. drs. J. van Leeuwen, gemachtigde, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het hoger beroep is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door appellant gedane nieuwe aanvragen om toegelaten te worden tot de promotie geen relevante nieuw gebleken feiten of omstandigheden vermelden. Bovendien heeft de rechtbank, naar appellant stelt, miskend dat hij geen promotor nodig heeft behalve voor formaliteiten.
2.2. Eén van de voorwaarden van het Promotiereglement 1997 van de Technische Universiteit Delft is, dat de promovendus een hoogleraar bereid vindt als promotor op te treden. Nu appellant geen hoogleraar had gevonden die bereid is voor hem als promotor op te treden, had hij ten tijde van het bestreden besluit niet voldaan aan de gestelde voorwaarden. In eerdere besluiten zijn verzoeken van appellant om toegelaten te worden tot de promotie om deze reden door het College afgewezen.
Hetgeen appellant heeft aangevoerd als relevante nieuw gebleken feiten, te weten enkele reacties van de zijde van wetenschappelijke tijdschriften op zijn ter publicatie aangeboden onderzoeksresultaten, wat hier ook van zij, kunnen niet als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht worden beschouwd. Appellant had vergelijkbare reacties immers al eerder in de procedure ingebracht. De rechtbank heeft op juiste gronden overwogen dat appellant geen belang meer had bij een beslissing op zijn bezwaar tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag en heeft terecht bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.H.B. van der Meer, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. J.E.M. Polak, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.
w.g. Van der Meer w.g. Haan
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2004
27-420.