ECLI:NL:RVS:2004:AP3185

Raad van State

Datum uitspraak
16 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200401904/2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • R.J. Hoekstra
  • M.A. Voskamp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArtikel 10 Besluit op de Ruimtelijke Ordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen goedkeuring bestemmingsplan intensieve veehouderij

De gemeenteraad van Steenwijkerland stelde op 24 juni 2003 het bestemmingsplan 'Buitengebied, partiële herziening Dwarssloot Oost' vast, waarin gronden werden bestemd voor een agrarisch bouwblok met de mogelijkheid tot vestiging van een intensieve veehouderij. Het college van gedeputeerde staten van Overijssel keurde dit plan goed bij besluit van 27 januari 2004.

Verzoekers stelden dat de goedkeuring onrechtmatig was omdat het plan in strijd was met het provinciaal ruimtelijk beleid, onvoldoende alternatieven onderzocht waren, en negatieve effecten op vogel- en libellensoorten onvoldoende waren onderzocht en gecompenseerd. Tevens werd aangevoerd dat de compenserende maatregelen niet voldoende waren verzekerd.

De Voorzitter oordeelde dat verweerder bij de beoordeling van het plan het oudere beleid uit 1997 had gevolgd in plaats van het geldende beleid uit 2002, dat de vestiging van intensieve veehouderij op deze locatie niet toestaat. Dit vormde een gerede mogelijkheid tot vernietiging van het besluit in de bodemprocedure. Daarnaast was nader onderzoek naar de milieueffecten noodzakelijk. Daarom werd het besluit geschorst en werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan verzoekers.

Uitkomst: Het besluit tot goedkeuring van het bestemmingsplan wordt geschorst vanwege strijd met het geldende provinciaal beleid en onvoldoende onderzoek.

Uitspraak

200401904/2.
Datum uitspraak: 16 juni 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
1. [verzoeker sub 1], wonend te [woonplaats],
2. [verzoeker sub 2], wonend te [woonplaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Overijssel,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 24 juni 2003 heeft de gemeenteraad van Steenwijkerland het bestemmingsplan "Buitengebied, partiële herziening Dwarssloot Oost" vastgesteld.
Bij besluit van 27 januari 2004, kenmerk RWB/2003/2340 heeft verweerder beslist over de goedkeuring van dit plan.
Tegen dit besluit hebben verzoeker sub 1 bij brief van 16 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 18 maart 2004, en verzoeker sub 2 bij brief van 26 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 30 maart 2004, beroep ingesteld.
Daarnaast hebben verzoeker sub 1 bij brief van 3 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 5 maart 2004, en verzoeker sub 2 bij brief van 26 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 30 maart 2004, zich tot de Voorzitter gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
De Voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 24 mei 2004, waar verzoekers in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door T. Drint, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.
Voorts zijn de gemeenteraad van Steenwijkerland, vertegenwoordigd door J. Mulder, ambtenaar van de gemeente, en [partij], bijgestaan door mr. P. Sipma, advocaat, daar verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. In het plan is aan gronden aan de Dwarssloot-Oost de bestemming “Agrarisch bouwblok” toegekend waardoor de vestiging van een intensieve veehouderij ter plaatste mogelijk wordt gemaakt .
2.3. Verzoekers stellen dat verweerder het plan ten onrechte heeft goedgekeurd. Zij voeren daartoe onder meer aan dat het plan in strijd is met het provinciaal ruimtelijk beleid, dat onvoldoende onderzoek heeft plaatsgevonden naar andere beschikbare bouwpercelen, dat de vestiging van een intensieve veehouderij een negatieve invloed heeft op de in het gebied voorkomende vogelsoorten, dat nader onderzoek nodig is naar het voorkomen van libelle-soorten in het gebied en dat de compenserende maatregelen onvoldoende zijn en onvoldoende zijn verzekerd.
2.4. Verweerder is bij de beoordeling van het plan uitgegaan van het beleid zoals dat is verwoord in de Handleiding en Beleidsregels ruimtelijke ordening, door hem vastgesteld in december 1997, en niet van het beleid uit de Handreiking en beoordeling ruimtelijke plannen, door hem vastgesteld op 26 november 2002 en in werking getreden op 5 maart 2003 (hierna: de Handreiking).
Het beleid uit de Handreiking, dat gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, laat de vestiging van de intensieve veehouderij niet toe. In het feit dat over het voorontwerp van het bestemmingsplan in het kader van artikel 10 van Pro het Besluit op de Ruimtelijke Ordening overleg is gevoerd voordat de Handreiking is vastgesteld ziet de Voorzitter geen bijzondere omstandigheid die afwijking van het geldende beleid rechtvaardigt.
De Voorzitter acht een gerede mogelijkheid aanwezig dat de Afdeling het bestreden besluit in de bodemprocedure om deze reden zal vernietigen. De Voorzitter is daarnaast van oordeel dat voor een beoordeling van de aanvaardbaarheid van een intensieve veehouderij op deze locatie, nader onderzoek nodig is.
De Voorzitter ziet gelet op het vorenstaande aanleiding het bestreden besluit te schorsen.
2.5. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van verzoeker sub 1 te worden veroordeeld. Van proceskosten van verzoeker sub 2 die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Overijssel van 27 januari 2004, RWB/2003/2340;
II. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Overijssel in de door verzoeker sub 1 in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 135,75; het bedrag dient door de provincie Overijssel te worden betaald aan verzoeker sub 1;
III. gelast dat de provincie Overijssel aan verzoekers het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (beiden € 136,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Voskamp, ambtenaar van Staat.
w.g. Hoekstra w.g. Voskamp
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2004
370.