Art. 5:32 AwbArt. 8:81 AwbArt. 125 GemeentewetVoorschrift 1.1.1. bijlage B Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom wegens geluidoverschrijding
Verzoekster kreeg bij besluit van 19 maart 2004 een last onder dwangsom opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van Ede vanwege het overschrijden van geluidgrenswaarden tijdens de nachtperiode, zoals gesteld in voorschrift 1.1.1. van bijlage B bij het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer. De dwangsom bedroeg € 2.000 per overtreding met een maximum van € 20.000.
Verzoekster maakte bezwaar en vroeg vervolgens bij de Raad van State om een voorlopige voorziening. Zij stelde dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met haar belangen en mede verantwoordelijk was voor de situatie omdat het bedrijf in samenwerking met verweerder was verplaatst naar het betreffende perceel. Tevens voerde zij aan dat legalisatie mogelijk was indien een hogere geluidwaarde werd vastgesteld.
De Voorzitter overwoog dat het belang van het voorschrift gericht is op het beschermen van een acceptabele geluidkwaliteit en gezondheid in de omgeving. De samenwerking bij de verplaatsing ontslaat verzoekster niet van de verplichting het voorschrift na te leven. De belangenafweging van verweerder was niet onredelijk en het verzoek om een hogere geluidwaarde was na het besluit gedaan, zodat dit niet in aanmerking kon worden genomen.
Daarom wees de Voorzitter het verzoek om voorlopige voorziening af. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 16 juni 2004 in het openbaar gedaan.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de last onder dwangsom wegens geluidoverschrijding wordt afgewezen.
Uitspraak
200403196/1.
Datum uitspraak: 16 juni 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekster], gevestigd te [plaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Ede,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 19 maart 2004, kenmerk VH/2004/845 M, heeft verweerder verzoekster een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 2.000,00 per geconstateerde overtreding van voorschrift 1.1.1. van bijlage B bij het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit). Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 20.000,00.
Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.
Bij brief van 14 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op 15 april 2004 per fax, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 27 mei 2004, waar verzoekster, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. J. Voncken en ing. R. Witjes, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Verweerder heeft verzoekster een last onder dwangsom opgelegd in verband met het overschrijden van de in artikel 1.1.1. van bijlage B bij het Besluit gestelde geluidgrenswaarden gedurende de nachtperiode ten gevolge van de overslag van vee op het perceel [locatie] te [plaats].
2.2. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.
Krachtens artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.
Ingevolge voorschrift 1.1.1. van bijlage B bij het Besluit, voorzover hier van belang, geldt voor het piekniveau, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, dat het niveau op de gevel van woningen niet meer bedraagt dan 70, 65 en 60 dB(A) gedurende respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.
2.3. Niet in geschil is dat de in voorschrift 1.1.1. van bijlage B bij het Besluit gestelde waarde voor het piekniveau op de gevel van woningen gedurende de nachtperiode is overschreden. Verweerder was in zoverre bevoegd tot het opleggen van een last onder dwangsom.
2.4. Verzoekster heeft aangevoerd dat verweerder in redelijkheid geen last onder dwangsom heeft kunnen opleggen. In dit verband heeft zij betoogd dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met haar (financiële) belangen en mede verantwoordelijk is voor de met het Besluit strijdige situatie, nu het bedrijf in samenwerking met verweerder naar het perceel [locatie] te [plaats] is verplaatst. Voorts heeft verzoekster betoogd dat de overtreding van voorschrift 1.1.1. van bijlage B bij het Besluit kan worden gelegaliseerd, indien verweerder een waarde van 65 dB(A) zou vaststellen voor het piekniveau op de gevel van woningen gedurende de nachtperiode.
2.5. De Voorzitter overweegt dat het belang dat voorschrift 1.1.1. van bijlage B bij het Besluit beoogt te beschermen, namelijk een acceptabele geluidkwaliteit in de directe omgeving van het bedrijf, in de zin van geluidbeleving en risico’s voor de persoonlijke gezondheid, in het onderhavige geval is gediend met beëindiging van de met het Besluit strijdige situatie. De enkele omstandigheid dat het bedrijf in samenwerking met verweerder naar het perceel [locatie] te [plaats] is verplaatst – wat daarvan ook zij – ontslaat verzoekster niet van de verplichting er voor zorg te dragen dat voorschrift 1.1.1 van bijlage B bij het Besluit wordt nageleefd. Gezien het vorenstaande acht de Voorzitter de door verweerder gemaakte belangenafweging niet zodanig onredelijk dat een voorlopige voorziening aangewezen is. Dat verzoekster bij brief van 29 april 2004 verweerder heeft verzocht om krachtens artikel 5, eerste lid, van het Besluit bij nadere eis een hogere waarde voor het piekniveau op de gevel van woningen gedurende de nachtperiode vast te stellen dan in voorschrift 1.1.1. van bijlage B van het Besluit is opgenomen, doet hieraan niet af, reeds omdat dit verzoek eerst na het nemen van het bestreden besluit is gedaan.
2.6. Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.