ECLI:NL:RVS:2004:AP3260

Raad van State

Datum uitspraak
15 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200404207/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • H. Beekhuis
  • M.L.D. Trippert-van Gemeren
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbBesluit inrichtingen voor motorvoertuigenBesluit opslaan in ondergrondse tanksAlgemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom voor ongekeurde tanks en afleverpunten

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen een last onder dwangsom die door het college van burgemeester en wethouders van Zwolle is opgelegd wegens het gebruik van ongekeurde ondergrondse tanks en afleverpunten op haar perceel in strijd met het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen. De last onder dwangsom betreft een sanctie per week dat de situatie voortduurt na een maand na dagtekening van het besluit.

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het verzoek om een voorlopige voorziening behandeld. Verzoekster stelde dat het college niet in redelijkheid van haar bevoegdheid tot het opleggen van de last onder dwangsom had kunnen gebruikmaken, onder meer vanwege lopend overleg over verplaatsing van het tankstation en onduidelijkheid over de aanleg van een nieuwe rondweg.

De Voorzitter oordeelde dat het gebruik van ongekeurde tanks en afleverpunten onbetwist is en dat het college bevoegd was tot handhaving. Gezien het feit dat de illegale situatie niet op korte termijn zal worden beëindigd en de risico's van bodemverontreiniging, was het gerechtvaardigd dat het college het belang bij beëindiging van de overtreding liet prevaleren boven het financiële belang van verzoekster. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de last onder dwangsom wordt afgewezen.

Uitspraak

200404207/1.
Datum uitspraak: 15 juni 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekster], gevestigd te [plaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Zwolle,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 21 april 2004 heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd per week dat na het verstrijken van een maand na dagtekening van dit besluit de ondergrondse tanks in gebruik zijn zonder dat ze zijn goedgekeurd en dat de afleverpunten in gebruik zijn in strijd met de voorschriften uit het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen op het perceel [locatie] te [plaats].
Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Bij brief van 19 mei 2004, bij de Raad van State ingekomen op 21 mei 2004, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 1 juni 2004, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. A.A. Robbers, advocaat te Apeldoorn, en verweerder, vertegenwoordigd door F.H. de Vries en M. van Sprang, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Verzoekster voert aan dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het opleggen van een last onder dwangsom gebruik heeft kunnen maken. Daartoe voert zij onder meer aan dat er (indirect) overleg plaatsvindt met de gemeente over de verplaatsing van het tankstation. Voorts betoogt verzoekster dat het lange tijd onduidelijk is geweest of het tankstation verplaatst zou moeten worden in verband met de aanleg van een nieuwe rondweg. Gelet op deze omstandigheden had verweerder haar een redelijke termijn moeten gunnen om het tankstation te verplaatsen zodat bestuursrechtelijk optreden achterwege had kunnen blijven.
2.1.1. Niet in geschil is dat verzoekster op de [locatie] gedurende lange tijd ongekeurde tanks en afleverpunten in gebruik heeft in strijd met het bepaalde in het Besluit opslaan in ondergrondse tanks en het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer. Verweerder was derhalve bevoegd om handhavend op te treden.
2.1.2. Ten aanzien van de vraag of verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken, overweegt de Voorzitter het volgende.
Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is niet te verwachten dat de illegale situatie op korte termijn zal worden beëindigd. Ook verder ziet de Voorzitter, met name gelet op de risico’s van bodemverontreiniging, geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid het belang bij het beëindigen van de illegale situatie heeft kunnen laten prevaleren boven het (financiële) belang van verzoekster bij het voortduren daarvan.
2.2. Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek af te wijzen.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.L.D. Trippert-van Gemeren, ambtenaar van Staat.
w.g. Beekhuis w.g. Trippert-van Gemeren
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2004
289.