200307432/1.
Datum uitspraak: 23 juni 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellanten], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 25 september 2003 in het geding tussen:
het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven.
Bij besluit van 13 november 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (hierna: het college) aan de Stichting Opwekkingscentrum Immanuël met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling van het bestemmingsplan "Eindhoven binnen de Ring" en bouwvergunning verleend voor het bouwen van een gemeenschapscentrum aan de Iepenlaan 38 te Eindhoven.
Bij besluit van 3 september 2002 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 25 september 2003, verzonden op 30 september 2003, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 10 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 5 februari 2004 heeft het college van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 mei 2004, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. M.H.A.J. Slaats, advocaat te Eindhoven, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.C.H.G. Schavemaker, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
2.1. Het bouwplan voorziet in het oprichten van een bijeenkomstruimte met ongeveer 150 zitplaatsen en enkele les- en vergaderruimten. De maximale hoogte van het bouwplan bedraagt zes meter. Op het eigen (binnen)terrein voorziet het bouwplan in 21 parkeerplaatsen.
2.2. Appellanten hebben in hoger beroep herhaald hetgeen zij in bezwaar en beroep hebben aangevoerd en stellen verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat
- het niet van belang is of het op te richten gebouw al dan niet zou passen in de status van beschermd dorps- of stadsgezicht,
- de parkeernorm en de toepassing hiervan de rechtbank alleszins redelijk voorkomt,
- de mogelijke intensiteit van het gebruik – als gemeenschapscentrum – geen planologisch relevant criterium vormt,
- de ruimtelijke onderbouwing van het vrijstellingsbesluit de rechterlijke toets kan doorstaan,
- de rechtbank niet is gebleken dat het welstandsadvies op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, waarbij in aanmerking is genomen dat appellanten niet een deskundig tegenadvies hebben overgelegd.
2.3. Appellanten hebben in het hoger beroepschrift niet nader aangegeven waarom de genoemde overwegingen onjuist zijn. Ter zitting hebben appellanten nogmaals uiteengezet dat – samengevat weergegeven – de voorgenomen bouw huns inziens naar zijn aard, omvang en uiterlijk een onaanvaardbare inbreuk op de omgeving maakt en (parkeer)overlast zal veroorzaken.
De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat de daartoe door appellanten aangevoerde argumenten geen doel treffen.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en B.J. van Ettekoven en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat.
w.g. Slump w.g. Nolles
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2004