ECLI:NL:RVS:2004:AP4164
Raad van State
- Hoger beroep
- M. Vlasblom
- M.G.J. Parkins-de Vin
- J.E.M. Polak
- Rechtspraak.nl
Vaststelling niet-ontvankelijkheid bezwaar broer vreemdeling tegen weigering machtiging voorlopig verblijf
De Minister van Buitenlandse Zaken wees op 15 augustus 2002 een aanvraag van een vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De broer van de vreemdeling maakte bezwaar tegen deze weigering, maar de minister verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk. De rechtbank ’s-Gravenhage oordeelde echter dat de broer als nauw familielid belanghebbende was en verklaarde het bezwaar ontvankelijk, vernietigde het besluit en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moest nemen.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de broer van de vreemdeling geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 Awb Pro omdat hij geen rechtstreeks belang heeft bij de weigering van de machtiging tot voorlopig verblijf. De vreemdeling had immers geen verblijfsrecht aangevraagd met het oog op verblijf bij zijn broer, maar op basis van de terugkeeroptie meerderjarigen.
Daarom was het bezwaar van de broer terecht niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep van de broer bij de rechtbank werd ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en het bezwaar van de broer wordt niet-ontvankelijk verklaard.