ECLI:NL:RVS:2004:AP4697

Raad van State

Datum uitspraak
23 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200403685/2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek
  • R.C.S. Bakker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 68 Flora- en faunawetArt. 8:81 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen ontheffing doden reeën

Het college van gedeputeerde staten van Overijssel verleende op 2 februari 2004 aan de Wildbeheereenheid De Koerkamp ontheffing om reeën te doden met een geweer binnen een bepaald werkgebied tot en met 31 december 2004. De stichting De Faunabescherming maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college op 15 maart 2004 ongegrond werd verklaard. Vervolgens verklaarde de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle het beroep van de stichting tegen het besluit eveneens ongegrond op 26 april 2004.

De stichting stelde daarop hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening tegen het besluit van het college. De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak behandelde het verzoek op 10 juni 2004. Tijdens de zitting waren vertegenwoordigers van de stichting, het college en de wildbeheereenheid aanwezig.

De Voorzitter overwoog dat besluiten in het algemeen uitvoerbaar zijn ook als daartegen een rechtsmiddel is ingesteld, zeker wanneer een rechter in eerste aanleg het besluit als niet onrechtmatig heeft beoordeeld. Verder achtte de Voorzitter het niet onaannemelijk dat het afschieten van maximaal 50 bokken en zieke of kreupele dieren in 2004 kan bijdragen aan de verkeersveiligheid door vermindering van aanrijdingen.

Gelet op deze overwegingen zag de Voorzitter geen reden om een voorlopige voorziening te treffen en wees het verzoek af. Ook werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 23 juni 2004 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit tot ontheffing voor het doden van reeën wordt afgewezen.

Uitspraak

200403685/2.
Datum uitspraak: 23 juni 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
de stichting "Stichting De Faunabescherming", gevestigd te Amstelveen,
verzoekster,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle, verzonden op 26 april 2004, in het geding tussen:
verzoekster
en
het college van gedeputeerde staten van Overijssel.
1. Procesverloop
Bij besluit van 2 februari 2004 heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) met toepassing van artikel 68, eerste lid, aanhef en onder a, van de Flora- en faunawet aan de Wildbeheereenheid De Koerkamp (hierna: de wildbeheereenheid) voor de periode tot en met 31 december 2004 ontheffing verleend voor het doden van reëen met behulp van het geweer op gronden gelegen in nader aangegeven gemeenten, behorende tot het werkgebied van de wildbeheereenheid.
Bij besluit van 15 maart 2004 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak, verzonden op 26 april 2004, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoekster bij brief van 3 mei 2004, bij de Raad van State ingekomen op 4 mei 2004, hoger beroep ingesteld.
Bij deze brief heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 10 juni 2004, waar verzoekster, vertegenwoordigd door A.P. de Jong, secretaris van de stichting, het college, vertegenwoordigd door I. Weis en R. de Hoeve, ambtenaren van de provincie, en de wildbeheereenheid, vertegenwoordigd door mr. H.A.M. Lamers, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Besluiten zijn in het algemeen uitvoerbaar, ook als daartegen een rechtsmiddel is aangewend. Indien in hoger beroep een uitvoerbaar besluit aan de orde is, komt daaraan temeer betekenis toe, nu in dat geval het besluit door een rechter in eerste aanleg als niet onrechtmatig is geoordeeld.
2.2. Hetgeen verzoekster heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure geen stand zal houden. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het niet onaannemelijk is dat een beperking van de populatie zal leiden tot een vermindering van het aantal aanrijdingen en aldus zal bijdragen aan de verkeersveiligheid. Voorts wordt in aanmerking genomen dat het thans nog slechts gaat om het afschieten in 2004 van (maximaal 50) bokken en van zieke en kreupele dieren.
2.3. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening geen grond. Het verzoek daartoe wordt niet ingewilligd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.C.S. Bakker, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Bakker
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2004
91.