ECLI:NL:RVS:2004:AP8314

Raad van State

Datum uitspraak
7 juli 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200307428/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Troostwijk
  • H.G. Lubberdink
  • J.H. van Kreveld
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 planvoorschriften bestemmingsplanArt. 19 Wet op de Ruimtelijke OrdeningArt. 40 Woningwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging handhaving verbod bewoning bedrijfsruimte in strijd met bestemmingsplan

Het college van burgemeester en wethouders van Laarbeek legde appellanten een last onder dwangsom op om de bewoning van een bedrijfsruimte te staken en de inrichting in overeenstemming te brengen met de verleende bouwvergunning. Appellanten maakten bezwaar en voerden aan dat het gebruik voor woondoeleinden was toegestaan. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van appellanten deels gegrond, maar in hoger beroep bevestigde de Raad van State het handhavingsbesluit.

Het perceel heeft de bestemming “Bedrijven” en het bestemmingsplan staat geen bedrijfswoning toe omdat er geen bouwvlak voor is opgenomen. Het gebruik van de bedrijfsruimte voor bewoning is daarmee in strijd met het bestemmingsplan en verboden. Ook is er sprake van afwijking van de verleende bouwvergunning, waardoor het college bevoegd was handhavend op te treden op grond van de Woningwet.

Appellanten betoogden dat er zicht was op legalisering en dat het handhavend optreden in strijd was met het gelijkheidsbeginsel, maar de Raad van State verwierp deze gronden. Er is geen concreet zicht op legalisering, mede vanwege milieuhygiënische bezwaren en het ontbreken van een vrijstelling. Het college heeft bovendien voldoende gemotiveerd waarom het niet in gelijke gevallen handhavend optreedt.

De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de voorzieningenrechter. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt het handhavingsbesluit en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

200307428/1.
Datum uitspraak: 7 juli 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellanten], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank
's-Hertogenbosch van 30 oktober 2003 in het geding tussen:
appellanten
en
het college van burgemeester en wethouders van Laarbeek.
1. Procesverloop
Bij besluit van 11 juli 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Laarbeek (hierna: het college) appellanten onder oplegging van een dwangsom gelast de bewoning van de bedrijfsruimte op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te staken en gestaakt te houden en de voorzieningen die het gebouw geschikt hebben gemaakt voor bewoning te verwijderen en verwijderd te houden c.q. de interne inrichting in overeenstemming te brengen met de verleende bouwvergunning.
Bij besluit van 4 december 2002 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 april 2003 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellanten ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd.
Bij besluit van 22 juli 2003, aangevuld bij brief van 25 juli 2003, heeft het college het door appellante tegen het besluit van 11 juli 2002 gemaakte bezwaar onder wijziging van de begunstigingstermijn opnieuw ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 30 oktober 2003, verzonden op 5 november 2003, heeft de voorzieningenrechter het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 6 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op 7 november 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 november 2003. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 14 januari 2004 heeft het college van antwoord gediend.
Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben partijen van repliek en dupliek gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 mei 2004, waar appellanten in persoon, bijgestaan door mr. C.W.M. Vergouwen, advocaat te Eindhoven, en het college, vertegenwoordigd door mr. T.A.C.I. Luyben en drs. ing. P.J.A.M. Schouw, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het college heeft op 30 november 1999 aan appellanten bouwvergunning verleend voor de bouw op het perceel van een bedrijfsruimte met daarin op de verdieping onder meer een kantoor, een kantine en een archiefruimte. Na de uitvoering van de bouwwerkzaamheden is bij een controle gebleken dat appellanten de verdieping van het gebouw als woning hebben ingericht en als zodanig in gebruik hebben genomen.
2.2. In het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Bedrijventerrein Mariahout” heeft het perceel de bestemming “Bedrijven”.
Ingevolge artikel 1 van Pro paragraaf II van de planvoorschriften zijn de op de plankaart als “bedrijven” aangewezen gronden bestemd voor:
1. a. groothandelsdoeleinden met daarbij behorende showrooms;
b. industriële en ambachtelijke bedrijfsdoeleinden, ….
2. detailhandel in agrarische bedrijfsartikelen, …
3. woon-, opslag en parkeerdoeleinden ten dienste van handels- en bedrijfsdoeleinden.
Ingevolge artikel 1, onder A. mag de tot “bedrijven” bestemde grond worden bebouwd met gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, uitsluitend ten dienste van deze bestemming, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn:
II 1. Bedrijfswoningen mogen uitsluitend binnen de aangegeven bebouwingsvlakken worden gebouwd, met dien verstande dat per bedrijf niet meer dan één woning mag worden gebouwd.
2. Bedrijfsgebouwen en bijgebouwen ten dienste van woondoeleinden mogen zowel binnen als buiten de aangegeven bebouwingsvlakken worden gebouwd.
Ingevolge artikel 1, onder C I., is het verboden op de tot “bedrijven” bestemde grond opstallen te gebruiken in strijd met de in dit plan aan de grond gegeven bestemming.
Ingevolge artikel 1, onder C II, aanhef en onder 3, wordt onder strijdig gebruik als bedoeld onder I tenminste verstaan het gebruik van de opstallen, voor zover dit niet rechtstreeks op de bestemming is gericht, voor zover geen woningen zijnde, voor tijdelijke of permanente bewoning.
2.3. Het betoog van appellanten, dat uit de doeleindenomschrijving in voormeld artikel 1, aanhef en onder 3, van de planvoorschriften volgt dat het perceel voor woondoeleinden mag worden gebruikt, faalt.
Anders dan appellanten menen volgt uit deze bepaling slechts dat de als “bedrijven” aangewezen grond mede is bestemd voor woondoeleinden die ten dienste staan van bedrijfsdoeleinden. Aangezien op de plankaart ter plaatse geen bouwvlak voor een bedrijfswoning is opgenomen volgt uit artikel 1, onder A. aanhef en onder II 1. dat op het perceel geen bedrijfswoning is toegestaan. Derhalve is het gebruik van de bedrijfsruimte voor bewoning in strijd met de bestemming “bedrijven” en op grond van artikel 1, onder C I. verboden.
De voorzieningenrechter heeft derhalve met juistheid geoordeeld dat het college bevoegd was tegen dat gebruik handhavend op te treden.
2.4. Voorts is, naar ook door appellanten ter zitting is erkend, gebouwd in afwijking van de door het college bij besluit van 30 november 1999 aan hen verleende bouwvergunning.
Derhalve is eveneens juist het oordeel van de voorzieningenrechter, dat het college op grond van artikel 40, eerste lid, van de Woningwet bevoegd was terzake handhavend op te treden.
2.5. Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
2.6. Appellanten komen tevergeefs op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat geen concreet zicht op legalisering bestaat.
Vast staat dat legalisering van de bedrijfswoning op grond van het bestemmingsplan niet mogelijk is. Voorts kan om milieuhygiënische redenen thans geen vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening worden verleend, omdat de bedrijfswoning zich bevindt in de stankcirkel van het tegenoverliggende perceel van [belanghebbende].
Naar het college ter zitting heeft gesteld is vooralsnog niet zeker dat [belanghebbende] de bedrijfsactiviteiten aldaar binnen afzienbare termijn zal beëindigen en zijn bedrijf zal verplaatsen. Bovendien is geenszins zeker dat gedeputeerde staten tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar zullen hebben, aangezien de provincie te kennen heeft gegeven dat woningen op industrieterreinen niet meer gewenst zijn.
2.7. Evenzeer faalt het betoog van appellanten, dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het besluit tot handhavend optreden in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Het college heeft genoegzaam uiteengezet dat bij de door appellanten genoemde gevallen geen sprake is van gelijke gevallen waarin het college niet handhavend is opgetreden. Ook de omstandigheid dat het college vooralsnog niet is opgetreden tegen het met het bestemmingsplan strijdige gebruik dat [belanghebbende] maakt van (een deel) van zijn opstallen voor de opslag van caravans brengt niet mee dat van het college mag worden gevergd in het onderhavige geval niet handhavend op te treden.
2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. J.H. van Kreveld, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.
w.g. Troostwijk w.g. Wilbers-Taselaar
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2004
71.