ECLI:NL:RVS:2004:AP8345
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd
- Rechtspraak.nl
Vernietiging last onder dwangsom wegens onduidelijkheid over overtreder en opslag gevaarlijke stoffen
Bij besluit van 11 april 2003 legde het college van burgemeester en wethouders van Lelystad aan Body Cos International B.V. twee lasten onder dwangsom op wegens het opslaan van gevaarlijke stoffen in strijd met voorschriften 2.1.2 en 2.1.4 van het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer. Appellante voerde aan dat zij een alternatieve opslagmethode wilde toepassen, maar verweerder had hier niet adequaat op gereageerd. De Raad oordeelde dat appellante gehouden was de opslag conform richtlijn CPR 15-1 te laten plaatsvinden, omdat geen geldige melding van alternatieve middelen was gedaan.
Verder stelde appellante dat het besluit ten onrechte was gericht aan een privépersoon en niet duidelijk was wie als overtreder werd aangemerkt. De Raad stelde vast dat verweerder niet duidelijk had bepaald wie overtreder was, wat strijdig is met het rechtszekerheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Dit leidde tot vernietiging van het besluit.
Ten aanzien van de begunstigingstermijn en hoogte van de dwangsommen oordeelde de Raad dat deze redelijk waren. De gemeente Lelystad werd veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht. Het beroep werd gegrond verklaard en het besluit vernietigd.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van 16 september 2003 wordt vernietigd wegens onduidelijkheid over de overtreder.