ECLI:NL:RVS:2004:AQ1019

Raad van State

Datum uitspraak
9 juli 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200404840/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • K. Brink
  • W. van Hardeveld
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.19 Wet milieubeheerArt. 8:81 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen acceptatie melding verandering vleesvarkenshouderij

Bij besluit van 20 april 2004 heeft het college van gedeputeerde staten van Flevoland een melding geaccepteerd betreffende veranderingen aan een vleesvarkenshouderij, waaronder het verplaatsen van een voerkeuken, een losplaats en voedersilo’s, alsmede het wijzigen van stalafmetingen en het verkleinen van opslagcapaciteit. Verzoekers maakten bezwaar en verzochten om een voorlopige voorziening.

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde het verzoek op 5 juli 2004. Verzoekers trokken een grond van bezwaar in en betoogden onder meer dat het besluit in strijd was met artikel 8.19, derde lid, van de Wet milieubeheer en dat het niet was getoetst aan de IPPC-richtlijn. De Voorzitter oordeelde dat de veranderingen geen milieueffectrapport vereisten en dat er geen aannemelijke negatieve effecten waren die toepassing van de IPPC-richtlijn rechtvaardigden.

Daarnaast werden geluidrapportages en stankhinder besproken. De Voorzitter vond geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van het geluidrapport en concludeerde dat de stankhinder niet zou toenemen. Ook werd vastgesteld dat de melding betreffende vervanging van een bassin door ondergrondse opslagputten niet was geaccepteerd, waardoor dat bezwaar feitelijk niet relevant was.

Na afweging van alle belangen en argumenten zag de Voorzitter geen reden om de voorlopige voorziening te treffen en wees de verzoeken af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de acceptatie van de melding wordt afgewezen.

Uitspraak

200404840/1.
Datum uitspraak: 9 juli 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
1. [verzoekers sub 1], wonend te [woonplaats],
2. [verzoekers sub 2], gevestigd te [plaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Flevoland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 20 april 2004 heeft verweerder krachtens artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer een melding geaccepteerd met betrekking tot een verandering van een vleesvarkenshouderij op het adres [locatie] te [plaats].
Tegen dit besluit hebben verzoekers bezwaar gemaakt.
Bij brief van 10 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag per telefax, hebben verzoekers sub 1, de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 24 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag per telefax, hebben verzoekers sub 2, de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 5 juli 2004, waar verzoekers sub 1, vertegenwoordigd door ing. M.H. Middelkamp, gemachtigde, en verzoekers sub 2, vertegenwoordigd door mr. A.H. van der Wal, advocaat te Leeuwarden, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. C.A.I. Eringfeld en ing. B.M.A.J. van den Bogaard, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts is [partij] vertegenwoordigd door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, daar gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Ter zitting hebben verzoekers sub 2 de grond inzake de onjuiste ondertekening van het bestreden besluit ingetrokken.
2.2. De bij het bestreden besluit geaccepteerde melding heeft betrekking op het verplaatsen van een voerkeuken, een losplaats en voedersilo’s. Verder heeft de acceptatie betrekking op het verkleinen van de opslagcapaciteit van veevoer en het wijzigen van afmetingen van een stal. Bij besluit van 2 maart 1999 is krachtens de Wet milieubeheer voor de onderhavige inrichting een oprichtingsvergunning verleend (hierna: de vergunning).
2.3. Ingevolge artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer geldt een voor een inrichting verleende vergunning tevens voor veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan die niet in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning of de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften, maar die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken, onder de voorwaarde dat:
a. deze veranderingen niet leiden tot een andere inrichting dan waarvoor vergunning is verleend;
b. het voornemen tot het uitvoeren van de verandering door de vergunninghouder schriftelijk overeenkomstig de krachtens het zevende lid, onder a, gestelde regels aan het bevoegd gezag is gemeld, en
c. het bevoegd gezag aan de vergunninghouder schriftelijk heeft verklaard dat de voorgenomen verandering voldoet aan de aanhef en onderdeel a en de verandering naar zijn oordeel geen aanleiding geeft tot toepassing van de artikelen 8.22, 8.23 of 8.25.
Ingevolge het derde lid van dit artikel is het tweede lid niet van toepassing op veranderingen ten aanzien waarvan, indien zij vergunningplichtig zouden zijn geweest, bij de voorbereiding van de besluiten terzake, een milieueffectrapport had moeten worden gemaakt.
2.4. Verzoekers hebben aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 8.19, derde lid, van de Wet milieubeheer. Zij menen dat indien de gemelde veranderingen vergunningplichtig waren geweest bij de voorbereiding van de vergunning een milieueffectrapport diende te worden overgelegd. Voorts hebben zij betoogd dat het bestreden besluit ten onrechte niet is getoetst aan de IPPC-richtlijn.
De Voorzitter stelt vast dat de gemelde veranderingen van de inrichting geen betrekking hebben op de aard en de omvang van het veebestand dat op grond van de vergunning mag worden gehouden en dat de afmetingen van één stal slechts beperkt wijzigen. Het betreft derhalve geen wijzingen waarvoor bij de voorbereiding van een vergunning een milieueffectrapport dient te worden overgelegd. Voorts hebben verzoekers niet aannemelijk gemaakt dat de melding betrekking heeft op een wijziging van de inrichting die negatieve en significante effecten kan hebben op mens of milieu als bedoeld in de IPPC-richtlijn. In hetgeen verzoekers hebben aangevoerd ziet de Voorzitter derhalve geen aanleiding voor inwilliging van de verzoeken.
2.5. Verzoekers sub 1 bestrijden de conclusies van het ten behoeve van de melding opgestelde geluidrapport van “Agra-Matic”van 1 maart 2004.
Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting bestaat er naar het oordeel van de Voorzitter geen aanleiding voor de veronderstelling dat de in dit rapport opgenomen berekeningen onjuist zouden zijn. Voor het overige is niet gebleken dat het geluidrapport op onjuiste uitgangspunten is gebaseerd of op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Verweerder heeft zich dan ook op basis van dit rapport op goede gronden het standpunt gesteld dat de geluidnormen van de vergunning niet worden overschreden.
2.6. Verzoekers sub 1 hebben aangevoerd dat de stankhinder als gevolg van de gemelde veranderingen zal toenemen omdat een emissiepunt dichter bij woningen van derden zal komen te liggen. Verzoekers sub 2 hebben betoogd dat verweerder onjuiste omrekeningsfactoren naar mestvarkeneenheden heeft gehanteerd bij het bepalen van de geurhinder.
Nu de gemelde veranderingen geen betrekking hebben op het aantal of het soort te houden dieren staat vast dat het aantal mestvarkeneenheden niet toeneemt, ongeacht met welke omrekeningsfactoren het aantal hiervan wordt bepaald. Aan de hand van de ter zitting getoonde tekening is naar het oordeel van de Voorzitter voldoende aannemelijk geworden dat de afstand van het dichtst bij woningen van derden gelegen emissiepunt als gevolg van de wijzigingen van de afmeting van een stal niet dichter bij die woningen zal komen te liggen. Weliswaar staat in deze tekening voormelde afstand 10 meter kleiner aangegeven dan in de tekening bij de vergunning maar verweerder heeft ter zitting voldoende aannemelijk gemaakt dat de afstand in werkelijkheid niet kleiner zal worden. De Voorzitter neemt aan dat verweerder deze omissie in het kader van de beslissing op bezwaar zal bezien en ziet hierin, na afweging van de betrokken belangen, geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
2.7. Verzoekers sub 2 hebben betoogd dat de stankhinder als gevolg van de verplaatsing van de voerkeuken toe zal nemen.
De Voorzitter stelt aan de hand van de stukken vast dat de voerkeuken na verplaatsing niet dichter bij woningen van derden zal zijn gelegen zodat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat stankhinder door deze verandering niet toeneemt.
2.8. Verzoekers sub 2 hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte de melding heeft geaccepteerd wat betreft de vervanging van één bassin voor mestopslag door vijf ondergrondse opslagputten.
De Voorzitter stelt vast dat de melding in het bestreden besluit in zoverre niet is geaccepteerd. Dit bezwaar mist derhalve feitelijke grondslag.
2.9. In hetgeen verzoekers overigens naar voren hebben gebracht ziet de Voorzitter eveneens geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen zodat de verzoeken dienen te worden afgewezen.
2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst de verzoeken af.
Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.
w.g. Brink w.g. Van Hardeveld
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2004
312.