AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beroep ongegrond verklaard tegen niet-ontvankelijkheid in bezwaar geluidbelasting industrieterrein
Bij besluit van 17 februari 1999 stelde de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vast voor woningen nabij de industrieterreinen Maas-/Rijnhaven. Appellant maakte bezwaar tegen deze vaststelling, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant niet als belanghebbende werd aangemerkt.
Appellant stelde zich op het standpunt dat hij wel belanghebbende was, maar de Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat zijn woning te ver van de zonegrens lag om als belanghebbende te worden beschouwd. Dit oordeel werd onderbouwd met een deskundigenbericht en de toepasselijke wetsartikelen uit de Wet geluidhinder.
De Afdeling behandelde het beroep op 29 juni 2004 en hoorde verschillende partijen, waaronder vertegenwoordigers van de gemeente Rotterdam en de provincie Zuid-Holland. Uiteindelijk werd het beroep van appellant ongegrond verklaard en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellant is ongegrond verklaard wegens niet-ontvankelijkheid in het bezwaar.
Uitspraak
200306325/1.
Datum uitspraak: 14 juli 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te [woonplaats],
en
de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 17 februari 1999, kenmerk MBG 96032699/927, heeft verweerder de ten hoogste toelaatbare waarde van de geluidbelasting op de gevels van woningen vanwege de industrieterreinen Maas-/Rijnhaven vastgesteld.
Bij besluit van 25 juni 2003, kenmerk MBG 2003058642/927, verzonden op 18 augustus 2003, heeft verweerder het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 23 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op 24 september 2003, beroep ingesteld.
Bij brief van 4 december 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 23 maart 2004. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 juni 2004, waar verweerder, vertegenwoordigd door C.I. Wong en C.P. Weevers, ambtenaren van het ministerie, zijn verschenen.
Tevens zijn namens het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, K.I. Siem, ambtenaar van de gemeente, en namens het college van gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland, F.F. van Kampen, H.A. Akkermans en M. Groen, ambtenaren van de provincie, als partij gehoord. Eveneens is [partij], vertegenwoordigd door A.D. Schaap en A. de Rijk, gemachtigden, als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Appellant kan zich niet verenigen met het standpunt van verweerder dat hij niet-ontvankelijk is in zijn bezwaar omdat hij niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
In artikel 72, tweede lid in samenhang met artikel 71, eerste lid, van de Wet geluidhinder, is bepaald dat verweerder een maximaal toelaatbare geluidwaarde vanwege het industrieterrein vaststelt voor gevels van woningen die, op het tijdstip van de zonevaststelling binnen de zone aanwezig of in aanbouw zijn, en die op dat tijdstip een hogere geluidbelasting ondervinden dan 55 dB(A).
Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat de woning van appellant op een geruime afstand van de onderhavige zonegrens is gelegen. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet-ontvankelijk was in zijn bezwaar. Het beroep van appellant kan derhalve geen doel treffen.
2.2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Voorzitter, en mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.