ECLI:NL:RVS:2004:AQ1064
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- K. Brink
- W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd
- P.C.E. van Wijmen
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond verklaard tegen niet-ontvankelijkheid in bezwaar geluidbelasting industrieterrein
Bij besluit van 17 februari 1999 stelde de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vast voor woningen nabij de industrieterreinen Maas-/Rijnhaven. Appellant maakte bezwaar tegen deze vaststelling, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant niet als belanghebbende werd aangemerkt.
Appellant stelde zich op het standpunt dat hij wel belanghebbende was, maar de Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat zijn woning te ver van de zonegrens lag om als belanghebbende te worden beschouwd. Dit oordeel werd onderbouwd met een deskundigenbericht en de toepasselijke wetsartikelen uit de Wet geluidhinder.
De Afdeling behandelde het beroep op 29 juni 2004 en hoorde verschillende partijen, waaronder vertegenwoordigers van de gemeente Rotterdam en de provincie Zuid-Holland. Uiteindelijk werd het beroep van appellant ongegrond verklaard en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellant is ongegrond verklaard wegens niet-ontvankelijkheid in het bezwaar.