ECLI:NL:RVS:2004:AQ1069
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- J.A.M. van Angeren
- J.H. van Kreveld
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing schadevergoeding na intrekking Nederlands paspoort
Appellant verzocht de Staatssecretaris van Justitie en de Minister van Buitenlandse Zaken om vergoeding van schade die hij stelde te hebben geleden door de intrekking van zijn Nederlands paspoort in 1986. Deze intrekking was gebaseerd op de veronderstelling dat appellant de nationaliteit van een ander land had. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant niet-ontvankelijk voor het uitblijven van een besluit en ongegrond voor de afwijzing van het verzoek.
Appellant voerde aan dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat hij geen procesbelang had bij het beroep tegen het uitblijven van een besluit en dat het besluit tot intrekking formele rechtskracht had gekregen. De Raad van State oordeelde dat het procesbelang niet aannemelijk was omdat de Minister al vóór het bezwaar had beslist en dat het besluit tot intrekking onherroepelijk was geworden doordat appellant geen beroep had ingesteld binnen de daarvoor gestelde termijn.
De Raad van State overwoog verder dat het ontbreken van informatie over het beroepsrecht in de beschikking van 1986 geen bijzondere omstandigheid vormt die het besluit onrechtmatig maakt, mede omdat appellant destijds juridische bijstand had ingeroepen. De hoger beroepen werden ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van het verzoek tot schadevergoeding wegens intrekking van het Nederlands paspoort.