ECLI:NL:RVS:2004:AQ1298
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- S.W. Schortinghuis
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen niet-handhavend optreden permanente bewoning
Het college van burgemeester en wethouders van Rhenen besloot op 1 oktober 2002 om niet handhavend op te treden tegen de permanente bewoning van een gebouwtje op een perceel te Rhenen. Appellante diende op 10 oktober 2002 een bezwaarschrift in, dat echter was gericht tegen een ander besluit, namelijk een voornemen tot het verlenen van een bouwvergunning, en niet tegen het besluit van 1 oktober 2002.
Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het niet voldeed aan de vereisten van artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, met name omdat het bezwaar niet duidelijk was gericht tegen het juiste besluit. De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep tegen deze beslissing ongegrond. Appellante stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat het college terecht het bezwaar niet-ontvankelijk had verklaard, omdat het bezwaarschrift niet duidelijk was gericht tegen het besluit van 1 oktober 2002. Verwijzingen in het bezwaarschrift naar correspondentie over permanente bewoning konden niet als een geldig bezwaar tegen het besluit worden aangemerkt. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.