ECLI:NL:RVS:2004:AQ1298

Raad van State

Datum uitspraak
14 juli 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200307909/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.G.J. Parkins-de Vin
  • S.W. Schortinghuis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen niet-handhavend optreden permanente bewoning

Het college van burgemeester en wethouders van Rhenen besloot op 1 oktober 2002 om niet handhavend op te treden tegen de permanente bewoning van een gebouwtje op een perceel te Rhenen. Appellante diende op 10 oktober 2002 een bezwaarschrift in, dat echter was gericht tegen een ander besluit, namelijk een voornemen tot het verlenen van een bouwvergunning, en niet tegen het besluit van 1 oktober 2002.

Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het niet voldeed aan de vereisten van artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, met name omdat het bezwaar niet duidelijk was gericht tegen het juiste besluit. De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep tegen deze beslissing ongegrond. Appellante stelde hoger beroep in bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelde dat het college terecht het bezwaar niet-ontvankelijk had verklaard, omdat het bezwaarschrift niet duidelijk was gericht tegen het besluit van 1 oktober 2002. Verwijzingen in het bezwaarschrift naar correspondentie over permanente bewoning konden niet als een geldig bezwaar tegen het besluit worden aangemerkt. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

200307909/1.
Datum uitspraak: 14 juli 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te Rhenen,
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 8 oktober 2003 in het geding tussen:
appellante
en
het college van burgemeester en wethouders van Rhenen.
1. Procesverloop
Bij besluit van 1 oktober 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rhenen (hierna: het college) besloten om niet handhavend te zullen optreden tegen de permanente bewoning van het gebouwtje op het perceel [locatie] te Rhenen.
Bij besluit van 3 juni 2003 heeft het college het bij brief van
10 oktober 2002 door appellante gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 8 oktober 2003, verzonden op 31 oktober 2003, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 25 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op 26 november 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 9 januari 2004 heeft het college van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juni 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. J.F.M. van Erp, advocaat te Oss, en
[gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. J.H.P. Hofs en M.R. Prins, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht, voorzover hier van belang, bevat het bezwaarschrift tenminste een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar is gericht.
2.2. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen, dat het college het bezwaar van appellante terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het bezwaar richt zich blijkens de aanhef en de bewoordingen tegen een voornemen om een bouwvergunning ten aanzien van het betrokken perceel te verlenen, zoals gepubliceerd in de Rhenense Betuwekrant van
25 september 2002 en is overeenkomstig de aanwijzingen in die publicatie voorzien van de nadere aanduiding “Inspraak afdeling VROM”, terwijl een bezwaarschrift tegen het besluit van het college van 1 oktober 2002 om niet handhavend op te treden tegen permanente bewoning diende te worden gericht aan het college ter attentie van de commissie bezwaar- en beroepschriften. Van het besluit van 1 oktober 2002 wordt door appelante in het bezwaarschrift van 10 oktober 2002 ook geen gewag gemaakt. Het college is er dan ook terecht van uitgegaan dat dit bezwaarschrift was gericht tegen het voornemen om een bouwvergunning te verlenen. Daaraan doet niet af, dat in het bezwaarschrift tevens wordt verwezen naar correspondentie, waarin appellante de permanente bewoning aan de orde had gesteld, noch dat het college uit anderen hoofde ermee bekend kon zijn dat appellante bezwaar had tegen het gebruik van het betrokken gebouwtje voor al dan niet permanente bewoning.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.
w.g. Parkins-de Vin w.g. Schortinghuis
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2004
66.