ECLI:NL:RVS:2004:AQ1346

Raad van State

Datum uitspraak
14 juli 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200308120/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.G.J. Parkins-de Vin
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen intrekking bouwvergunning stallingsgarage

Het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort verleende op 2 april 2002 een bouwvergunning aan Van Hoogevest Projectontwikkeling B.V. voor de bouw van een stallingsgarage aan de locatie Puntenburg, blok G/E. Na bezwaar verklaarde het college het bezwaar ongegrond en trok vervolgens de bouwvergunning op 16 juli 2003 in. Appellante, Vabeog Amersfoort B.V., stelde beroep in tegen het besluit tot bezwaar, maar de rechtbank Utrecht verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk.

Appellante ging in hoger beroep bij de Raad van State en voerde aan dat het college in de proceskosten veroordeeld moest worden omdat het aanvankelijk de vergunning had verleend, waardoor appellante genoodzaakt was rechtsmaatregelen te treffen. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat het college de vergunning had ingetrokken op verzoek van de vergunninghoudster en dat er geen sprake was van tegemoetkoming aan de bezwaren van appellante.

De Afdeling stelde vast dat de rechtbank terecht geen proceskostenveroordeling oplegde en dat het eerdere informeren van appellante over het verzoek tot intrekking daaraan niets veranderde. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd zonder proceskostenveroordeling.

Uitspraak

200308120/1.
Datum uitspraak: 14 juli 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Vabeog Amersfoort B.V., gevestigd te Amersfoort ,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 24 oktober 2003 in het geding tussen:
appellante
en
het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort.
1. Procesverloop
Bij besluit van 2 april 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort (hierna: het college) aan Van Hoogevest Projectontwikkeling B.V. bouwvergunning verleend voor de bouw van een stallingsgarage te Amersfoort, plaatselijk bekend locatie Puntenburg, blok G/E.
Bij besluit van 18 juli 2002 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij besluit van 16 juli 2003 heeft het college de bij besluit van 2 april 2002 verleende bouwvergunning ingetrokken.
Bij uitspraak van 24 oktober 2003, verzonden op 27 oktober 2003, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het tegen het besluit van 18 juli 2002 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 3 december 2003, bij de Raad van State ingekomen op 4 december 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 29 december 2003. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 4 februari 2004 heeft het college van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juni 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. J. Witvoet, advocaat te De Bilt, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.J. van Eyck, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor een veroordeling van het college in de proceskosten, nu het college de bouwvergunning aanvankelijk heeft verleend en appellante daardoor heeft genoopt tot het treffen van rechtsmaatregelen waaronder het instellen van beroep en het aldus maken van proceskosten.
2.2. Dit betoog faalt. De reden van de intrekking van de bouwvergunning ligt in het feit dat de vergunninghoudster het college heeft verzocht de bouwvergunning in te trekken. Van een tegemoetkomen door het college aan de bezwaren van appellante is derhalve geen sprake. De rechtbank heeft dan ook terecht geen aanleiding gezien voor een veroordeling van het college in de proceskosten in beroep. De omstandigheid dat het college appellante eerder in kennis had kunnen stellen van het verzoek van de vergunninghoudster kan niet tot een ander oordeel leiden.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep zijn geen termen aanwezig.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat.
w.g. Parkins-de Vin w.g. Nolles
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2004
71-291.